(2) K+P+L - K
stelling 1: goede hoek

Ook in het eindspel met paard en loper, moet je eerst de koning naar de rand drijven en daarna naar een hoek. De moeilijkheid zit er in dat je de koning naar de "juiste hoek" moet drijven. Enkel in de hoeken die de loper kan bestrijken, kun je mat forceren. In de andere hoeken kun je proberen wat je wilt, geforceerd mat is het nooit, tenzij je er in slaagt om hem naar een andere hoek te drijven. Hoe gaan we te werk om dit eindspel te leren? We beginnen met de gemakkelijkste stelling (de koning staat al in de goede hoek), we maken het iets moeilijker (de koning staat in een verkeerde hoek) en tenslotte leren we hoe je de koning naar de hoek kunt drijven. We beginnen met de gemakkelijkste stelling: de koning staat al in de goede hoek. De witte loper staat op een wit veld, dus de goede hoeken zijn hier a8 en h1. Opnieuw speelt de koning een belangrijke rol: op b6 schermt hij de zevende rij af, terwijl de loper en het paard c8 dekken, waardoor de zwarte koning gevangen zit op a8 en b8. Om mat te geven, moeten we dus nog de velden b8 en a8 bestrijken. Aangezien de loper enkel a8 kan aanvallen, zal het paard b8 voor zijn rekening moeten nemen. Daarvoor heeft het niet veel goede velden: op d7 zou veld c8 niet meer gedekt zijn, op c6 kan de loper nog moeilijk bij het veld a8, dus enkel a6 (het veld aan de rand naast de koning!) geeft geen problemen: 1.Nd5 Ka8 2.Nb4 Kb8 3.Na6+ Ka8 4.Be4# *



Generated with ChessBase 8.0