Deze tekst werd gemaakt aan de hand van de notities die ik (Tom Piceu) genomen heb tijdens de uiteenzetting van Rob Brunia. Dit is dus zeker geen letterlijke weergave van wat Rob Brunia die dag gezegd heeft.


Brunia in Oostende (zaterdag 6 januari 2001)

DE LESSEN EN TORNOOIEN

Concurrentie met andere sportclubs

De zapcultuur van deze tijd uit zich ook in de vrijtijdsbesteding van jongeren: ze proberen van alles wat. Als ze jong zijn, zitten ze in de voetbalclub, de schaakclub, de zwemclub… er is keuze zat. Het komt er dus op aan om de schaakclub dus spannend, competitief en afwisselend te maken om de concurrentie met de andere sporten en hobby's aan te gaan.
Net zoals een computerspelletje eigenlijk. Want de jongeren waar je met de schaakclub op mikt, je doelgroep, dat zijn niet de jongeren die zich fysiek zoveel mogelijk willen uitleven. De jongeren die geïnteresseerd zijn in de huidige technologie, de jongeren die gefascineerd zijn door computerspelletjes, dat zijn de potentiële schakers. Je moet er dan ook voor zorgen dat die jongeren in de schaakclub alles kunnen terugvinden wat hen bv. ook in die computerspelletjes aantrek: strijd, spanning, afwisseling en de mogelijkheid tot herkansing (Een partijtje verloren? Geen probleem, ik speel onmiddellijk nog eentje.).

Moderne denkbeelden

Om het boeiend te houden voor jongeren is het dan ook heel belangrijk dat er veel afwisseling is: voortdurend partijen op eenzelfde tempo spelen, gaat snel vervelen. Er zijn zoveel verschillende spelletjes die ze kunnen spelen: atoomschaak, doorgeefschaak, moerasschaak, schietschaak… Moedig ze aan om deze spelletjes te spelen en probeer zelf bij te blijven: welke nieuwe spelletjes spelen ze, wat vinden ze leuk? Al deze spelletjes zijn zo nauw met het 'echte' schaakspel verbonden dat ze er ook nog iets van opsteken.

Spelen of les krijgen?

De jongeren zullen maar in de schaakclub blijven als ze merken dat ze ook echt verbeteren en als ze dat ook echt merken aan hun resultaten. Om de jongeren te laten verbeteren moeten ze wat theorie krijgen en veel praktijkervaring kunnen opdoen. Aangezien oudere kinderen op school gewoon zijn om wat grotere pakken theorie te krijgen, kunnen de ouderen gemakkelijker wat meer theoretische lessen verwerken. Voor de jongeren (zeker die van 6, 7 jaar) is het vooral van belang om hen slechts mondjesmaat wat theorie mee te geven en hen vooral veel te laten spelen. Te veel theorie zou vervelen, waarna ze zouden afhaken.

Het is natuurlijk niet zo simpel om een tornooisysteem te vinden dat geschikt is voor die jonge kinderen: de ene partij is na 2 minuten gedaan en de andere duurt 15 minuten. Je moet opletten dat die eersten niet 13 minuten moeten wachten: ze hadden in die tijd nog zeker een paar partijtjes kunnen spelen! Twee mogelijke tornooisystemen die je hiervoor kunt gebruiken: een soort “ELO-tornooi” en het “laddertornooi”. Met die tornooiformules heb je geen schaakklokken nodig (in het begin denken ze toch niet zoveel na, het is eerder een “reactiespel”).

  1. ELO-tornooi:
    Elke nieuwkomer start bv. op 1500. Hij kiest een tegenstander en speelt een partijtje. Na de partij verwerk je de uitslag met je ELO-tabel (die je zelf kunt maken, bv. meer dan 50 ELO-punten minder dan tegenstander en gewonnen => +20, 35 ELO-punten meer dan tegenstander en remise gespeeld => -5 … Je k unt natuurlijk ook de echte ELO-tabel gebruiken) Met dit systeem kunnen ze als ze klaar zijn onmiddellijk iemand anders uitdagen. En ongeacht het aantal partijen dat ze gespeeld hebben, krijg je na een tijdje toch een klassement dat de echte krachtsverhoudingen weerspiegelt.
  2. LADDERtornooi:
    Bij het begin krijgt iedereen een willekeurig plaatsje op de ladder. (bv. Jan op 1, Piet op 2, Greet op 3…) Iemand met een lagere plaats op de ladder mag een hoger geplaatste uitdagen (omgekeerd niet). Slaagt de lager geplaatste speler erin om de partij te winnen of remise te spelen, dan komt hij op de plaats van de overwonnene terecht, die één plaatsje zakt (en al diegenen die tussen de twee opponenten in stonden, zakken dus ook allemaal één plaatsje). Wint de hoger geplaatste speler, dan gebeurt er niets. Een speler mag hoogstens één maal een uitdaging van een lager geplaatste speler weigeren (anders zou bv. de nummer één nooit van zijn troon kunnen worden gestoten.) Het voordeel van dit systeem is dat veel spelen beloond wordt: wie lange tijd niet speelt, zakt automatisch op de ladder.

Let er goed op dat je de kinderen nooit “zomaar” een partijtje laat spelen. Een partij zonder inzet is niet leuk!
Probeer telkens zoveel mogelijk kinderen in het zonnetje te zetten: noem niet alleen de winnaar, maar bv. ook wie die dag de grootste ELO-sprong maakte. Het behalen van goede resultaten (en de bijhorende aandacht van anderen) is zeer belangrijk.

STRUCTUUR VAN EEN JEUGDCLUB

De verantwoordelijken

Een jeugdclub leiden is niet simpel. Een goede structuur is heel belangrijk voor het uitbouwen van een kwaliteitsvolle jeugdwerking.
Meestal is het zo dat één bepaalde persoon (de jeugdleider) de touwtjes in handen heeft. Deze ene persoon kan onmogelijk al het werk alleen doen. Hij moet zich laten bijstaan door anderen, die dan elk een deel van de verantwoordelijkheid krijgen (competitieleider, organisator die instaat voor het beheer van het materiaal en de stukken…).

De ouders

Een heel belangrijke rol is weggelegd voor de ouders van de jeugdspelers. Eenmaal de jeugdwerking wat groter wordt, is het zeker nuttig om af en toe de ouders samen te roepen om praktische afspraken te maken (wie zorgt voor vervoer naar externe tornooien, wie gaat mee als begeleider naar het nationaal kampioenschap…). Een goed contact met de ouders is van groot belang: zij kunnen meehelpen met allerhande zaken, maar je kan bv. ook gemakkelijker een sponsor vinden als één van die ouders bv. een winkel heeft. Ouders zetten zich over het algemeen graag in voor de club van hun zoon/dochter als ze weten waarom het nodig is dat ze iets doen. Maar je moet het hen wel eerst eens vragen!
Wees ook altijd eerlijk tegenover de ouders en de kinderen. Vind je dat een kind te veel door zijn ouders naar de schaakclub “gepusht” wordt, spreek er dan over met de ouders en het kind. Ook als een kind weinig tot geen interesse vertoont voor het schaken is het beter voor de club om hierover te spreken met het kind en de ouders. “Filteren” van jeugdspelers moet soms gebeuren om de goede sfeer in de club te bewaren.

Rituelen

Net als in andere clubs en verenigingen mag je het opvoedende aspect van een schaakclub niet onderschatten.
Rituelen, zoals het steeds terugzetten van de stukken na een partij, een hand geven voor de partij…, zijn zeer belangrijk. Zorg ervoor dat de rituelen nageleefd worden en geef zelf het goede voorbeeld!
Neem kinderen altijd serieus. Als er problemen zijn tussen twee jeugdspelers tijdens een partij, moet je ze allebei bij het vinden van de oplossing betrekken. Leg nooit zomaar als “hogere autoriteit” je beslissing op, maar leg duidelijk het waarom uit en probeer een oplossing te vinden waarin alle partijen zich kunnen vinden.

PR

Misschien wel het belangrijkste aspect van een jeugdwerking is de PR (Public Relations).
Probeer zoveel mogelijk positief in de media te komen. Wacht niet tot de pers naar de club komt, maar stap zelf naar de pers! Naambekendheid is belangrijk om nieuwe leden aan te trekken en om sponsors te kunnen vinden.
Probeer als schaakclub ook zo herkenbaar mogelijk te zijn, door niet alleen een tekstje te laten publiceren, maar door er ook het clublogo bij te laten zetten of een foto, zodat de mensen ook een visueel herkenningspunt krijgen.

Een mooi document om bv. mee uit te pakken in scholen is een studie die in 1983 en 1984 aan de Katholieke Universiteit van Leuven is uitgevoerd door professor Verstraeten. Daarin wordt het positief effect van het schaken op de schoolresultaten aangetoond.

Varia

DE STAPPENMETHODE

Bij het gebruik van de Stappenmethode is het zeer belangrijk dat wanneer de jeugdspelers een oefening voorgeschoteld krijgen, ze niet alleen de goede zet vinden, maar dat ze het probleem ook kunnen benoemen. Zo leren ze in stap 1 bv. het verschil tussen 'ondersteunend mat' en 'aanvullend mat'. Het aanleren van degelijke begrippen is zeer belangrijk om een 'schaakvocabulaire' op te bouwen.
Als de leerlingen later complexere stellingen en problemen zullen behandelen (in stap 4 of verder), moeten ze terugvallen op de woordenschat die ze tijdens hun eerste jaren geleerd hebben. En als de lesgever het dan heeft over 'een dubbele aanval' en de leerling weet niet wat dit is, dan is er een serieus probleem, want dan moet de lesgever helemaal opnieuw bij de basis beginnen en uitleggen wat een dubbele aanval is.
Het is dus heel belangrijk om geen enkele stap of les over te slaan, want anders zal de leerling later in de problemen komen. Bovendien moet de leerling niet alleen in staat zijn om bij een oefening de juiste zet te geven, maar moet hij ook het probleem kunnen benoemen. Dit werken met namen (CONCEPTEN) is zeer belangrijk en wordt gemakkelijk over het hoofd gezien tijdens het lesgeven. Daarom is bv. stap 2 van heel groot belang: al die nieuwe concepten die de leerlingen voorgeschoteld krijgen zijn de bouwstenen voor hun schaaktoekomst. Loopt het hier verkeerd, dan kan het later niet meer rechtgetrokken worden.
Eén stap per jaar is een goede richttijd. Als je er sneller over gaat, zullen bepaalde concepten minder duidelijk zijn en komen ze later in de problemen. Enkele richtlijnen voor lesgevers: