Alternatieve vormen van schaken

 

Dit zou tot de basiskennis van de lesgevers moeten behoren: ze zijn ideaal om de kinderen op een prettige wijze te laten schaken. Bij elk spelletje zijn er altijd genoeg links naar het echte schaken, het allerbelangrijkste is dat ze steeds opnieuw (in telkens nieuwe omstandigheden) moeten leren vooruitdenken.

 

Sluit de pion in

Wit heeft vier pionnen: op b1, d1, f1 en h1. Zwart heeft een pion op e8. De witte pionnen mogen één veldje schuin vooruit gaan, de zwarte pion mag één veld diagonaal vooruit of achteruit gaan. De pionnen kunnen elkaar niet slaan. De spelers moeten elk om beurt een zet doen.

De witte pionnen moeten proberen de zwarte pion in te sluiten, totdat die geen velden meer heeft. Lukt het zwart om achter de witte pionnen te komen, dan kan wit zijn doel niet bereiken (de witte pionnen mogen immers niet achteruit) en wint zwart.

Ideaal voor stap 1, wanneer de leerlingen nog niet alle regels beheersen. Het leert hen alvast wel vooruit te denken en in te zien dat ze met al hun pionnen moeten samenwerken om de zwarte pion te kunnen vangen.

 

Doorgeef-schaak

Wordt gespeeld op twee borden: twee spelers tegen twee andere spelers. De ene speler van de ploeg speelt met wit, de andere met zwart. Elk stuk dat geslagen wordt, mag doorgegeven worden aan de ploeggenoot, die het stuk op zijn bord terug in het spel mag brengen op een leeg veld. De enige beperking: pionnen mogen niet op de eerste of achtste rij ingezet worden. Stukken inbrengen die schaak of mat geven, mag, dit maakt het een stuk boeiender.

Het inbrengen van een stuk telt als een zet. Je kunt dus maar één stuk per zet in het spel brengen. Het spel is gedaan als één van de spelers mat staat. Op dat moment heeft de ploeg die mat geeft, gewonnen.

Bij het promoveren, blijft de pion staan en wordt gewoon gezegd wat de pion wordt. Op het moment dat de pion, die op het bord de waarde van een stuk heeft, geslagen wordt, is ze terug niet meer waard dan een pion.  

Dit spel moet met schaakklokken gespeeld worden, anders kan er lang gewacht worden tot het juiste stuk doorgegeven wordt.

Dit is één van de klassiekers onder de jeugdspelers en leert vooral om creatief en aanvallend te spelen.

 

Weggeef-schaak

De bedoeling van dit spel is heel simpel: verlies al je stukken. De enige verplichting: als je kunt slaan, moet je slaan. Kun je meerdere stukken slaan, dan mag je uiteraard kiezen. De koning wordt behandeld als een gewoon stuk en mag dus voor de andere stukken van het bord verdwijnen. Wie het eerst al zijn stukken (ook de pionnen!) kwijt is, wint.

Als er een patstelling onstaat, waarbij de speler aan zet geen zet meer kan doen (hij heeft bv. alleen nog pionnen over en die staan geblokkeerd) dan wint de speler die het minste materiaal over heeft.

 

Atoom-schaak

Elk stuk dat iets slaat, is een atoombom die inslaat op dat veld. Alles wat op het veld zelf staat en in de velden errond, is "dood" en verdwijnt van het bord. Het stuk dat geslagen heeft (= de atoombom) is dus ook weg!

Een vb. van een partij: 1.e4 d5 2.exd4?? (beide pionnen verdwijnen van het bord!) Dxd2 en alles op e1, d1, c1, e2, d2, c2, e3, d3 en c3 verdwijnt van het bord, dus ook de witte koning: zwart wint.

 

 

 

 

Cilinder-schaak

Het principe: je moet je inbeelden dat het bord samengerold wordt tot een cilinder, waarbij a- en de h-lijn elkaar dus raken. Dit lijk moeilijk, maar dat is het niet. Een vb.: Na 1.g3 mag zwart niet d5 spelen, want dan kan de loper van f1 via de diagonaal f1-g2-h3-a4(we gaan gewoon verder op de diagonaal!)-b5-…-e8 de zwarte koning slaan.

 

Munt-schaak

Bij het begin van het spel ligt er een munt op e4. De munt volgt de beweging van elke zet die gespeeld wordt. De munt moet wel terechtkomen op een vrij veld en kan niet over de stukken springen. Als de munt ooit klem komt te zetten en er dus geen reglementaire zetten meer kunnen gespeeld worden, is het remise. De bedoeling is zoals gewoonlijk: de tegenstander moet matgezet worden.

Een vb.: 1.e2-e4 (munt gaat van e4 naar e6) Pg8-f6 (munt gaat van e6 naar d4) enz.

 

Schiet-schaak

Een stuk slaan hoeft niet meer door zelf met een stuk op het veld te gaan staan, je mag het aangevallen stuk ook vanop afstand doodschieten: je eigen stuk blijft staan en je neemt gewoon het aangevallen stuk van het bord.

Een vb.: 1.e4 Pc6 2.Dh5 g6 3.de witte dame schiet de pion op g6 weg en blijft zelf op h5 staan, enz.

 

Dek-schaak

Elk stuk dat al gespeeld heeft EN niet meer verdedigd staat door een ander stuk, mag je van het bord nemen. Je mag maar één stuk per zet van het bord nemen (het wegnemen telt als zet) en de koning mag je nooit zomaar van het bord nemen, dit is de enige uitzondering op de hoofdregel.

Dit spel leert om heel gegroepeerd aan te vallen.

 

 

Dit zijn maar enkele voorbeelden. Op tornooien kunnen ze gemakkelijk van anderen nog tientallen andere spelletjes leren, die allemaal even leuke namen hebben: dief-schaak, moeras-schaak, voetbal-schaak, reïncarnatie-schaak, kannibaal-schaak… Er komen regelmatig nieuwe bij, heel vaak bedacht door de jeugdspelers zelf!