| Wie kent wie? Meneer Keuner vroeg twee vrouwen naar hun man. De ene gaf de volgende informatie: 'Ik heb twintig jaar met hem geleefd. We sliepen in één kamer en in één bed. We aten samen. Hij vertelde mij al zijn aangelegenheden. Ik ontmoette zijn ouders en ging om met al zijn vrienden. Ik kende al zijn ziekten, die hij zelf kende, en nog een paar meer. Van allen, die hem kennen, ken ik hem het beste.' 'Je kent hem dus?' vroeg meneer Keuner. 'Ik ken hem.' Meneer Keuner vroeg nog een andere vrouw naar haar man. Die gaf de volgende informatie: 'Hij kwam vaak langere tijd niet en ik wist nooit of hij zou terugkomen. Sinds een jaar is hij niet meer geweest. Ik weet niet of hij terug zal komen. Ik weet niet of hij uit de goede huizen komt of uit de sloppen aan de haven. Het is een goed huis, waarin ik woon. Of hij ook bij mij zou komen in een slecht huis, wie zal het zeggen? Hij vertelt niets, hij spreekt met mij alleen over mijn aangelegenheden. Die kent hij precies. Ik weet wat hij zegt, weet ik het? Als hi komt, heeft hij soms honger, maar soms is hij verzadigd. Maar hij eet niet altijd als hij honger heeft, en als hij verzadigd is, wijst hij een maaltijd niet af Op een keer kwam hij met een wond. Die heb ik verbonden. Op een keer werd hij hier binnengedragen. Op een keer joeg hij alle mensen min huis uit. Als ik hem 'duister heer' noem, moet hij lachen en zegt hij: Wat weg is, is duister, maar wat aanwezig is, is licht. Maar soms wordt hij somber als ik hem zo aanspreek. Ik weet niet of ik van hem hou. Ik...' 'Hou maar op,' zei meneer Keuner haastig. 'Ik zie dat je hem kent. Meer kent geen mens iemand anders dan jij hem.' Uit: Bertolt Brecht, Vertellingen over meneer K. |