Meneer Keuner en de vloed
Meneer Keuner ging door een dal, toen hij plotseling bemerkte dat hij met zijn voeten door het water liep. Toen ontdekte hij dat het dal in werkelijkheid een zeearm was en dat het tijdstip van de vloed naderde. Hij bleef onmiddellijk staan om te kijken of er een boot was en zolang hij op een boot hoopte, bleef hij staan. Maar toen hij geen boot in zicht kreeg, gaf hij deze hoop op en hoopte dat het water niet verder zou stijgen. Pas toen het water tot aan zijn kin reikte, gaf hij ook deze hoop op en ging zwemmen. Hij had ingezien dat hij zelf een boot was.
Uit: Bertolt Brecht, Vertellingen over meneer K.