| Ik ben atheïst, ik heb geen enkel religieus gevoel. Ik ben ervan overtuigd dat ik een toevalselement in de natuur ben, niet meer dan een stofdeeltje aan de tafelpoot van het heelal. Ik stel vast dat veel mensen niet overweg kunnen met dat idee, met het feit dat we allemaal volstrekt onbelangrijk zijn. Sommige mensen willen het gevoel hebben dat ze een onderdeel zijn van een groots project. Ze hoeven zelfs niet te weten hoe dat project eruitziet, als ze maar weten dat het er is, als ze maar enige zin in hun bestaan kunnen onderkennen. Ik heb daar geen enkele behoefte aan, ik kan alleen vaststellen dat ik er ben. En dat is enkel het gevolg van toevalligheden en omstandigheden. Als ik in de spiegel kijk, weet ik dat die omstandigheden gunstiger hadden kunnen zijn. Maar als ik rond me kijk, voel ik toch een zekere tevredenheid. Het had tenslotte veel slechter met me kunnen aflopen. Ik sta niet in bewondering voor de schepping. In Mein Kampf heeft Hitler uitgelegde hoe hij fascist geworden was. Het overkwam hem op de dag dat hij in de dierentuin een slang een konijn zag verslinden; zo had hij het besef bereikt dat de sterken op deze aarde gedoemd zijn om de zwakkeren op te eten. Hitler zag de hele mensheid dus als een dierentuin. En welke gevolgen dat heeft gehad, weten we maar al te goed. Maar ook ik kan het niet ontkennen: in deze samenleving leeft de ene door de andere op te peuzelen. En dat begint bij de micro-organismen en het gaat door tot het hoogste stadium van de evolutie, tot bij ons. Op een zaterdagmorgen, niet lang geleden, stond ik hier vredig in de tuin te schoffelen. En toen zag ik drie eksters: geef nu zelf toe, dat zijn toch mooie vogels. Welnu, die schone beestjes zaten woest te trekken aan het kreng van een duif. Dat schokte mij tot in het diepste van mijn zijn. Er is dus absurditeit, er is wreedheid. In de natuur en dus ook in de samenleving, is de ene zn dood de andere zn brood. Het hoort zo, het kán niet anders. Je moet dat wel aanvaarden, maar dat betekent daarom nog niet dat je je daar koudweg bij moet neerleggen. In La Peste van Camus zegt dokter Rieux dat hij zijn strijd tegen de ziekte zal verliezen, hij kán gewoon niet winnen. Maar hij vindt de zin van zijn bestaan in onafgebroken verzet. De dood zal altijd zegevieren, maar tegenover die onoverwinnelijke vijand zal hij zijn waardigheid nooit verliezen. Door zon gedachte voel ik mij ten zeerste gesterkt. Louis Tobback (interview in Panorama) |