Meteen aan het begin van Genesis staat dat God de mens heeft geschapen om hem te laten heersen over vogels,vissen en levende wezens. Uiteraard werd Genesis geschreven door een mens en niet door een paard. Er is geen enkele zekerheid dat God werkelijk aan de mens de heerschappij heeft toevertrouwd over ander schepsels. Het ziet er eerder naar uit de de mens God heeft verzonnen om de heerschappij over koe en paard, die hij zich had toegeëigend, tot een heilige zaak te verheffen. Ja, het recht een hert of een koe te doden, is het enige waarover de hele mensheid het unaniem eens is, zelfs tijdens de bloedigste oorlogen. Dat recht vinden we vanzelfsprekend, want wij staan aan de top van de hiërarchie. Maar stel dat er een derde in het spel zou komen, bijvoorbeeld een bezoeker van een andere planeet, wiens god had gezegd: "Jij zult heersen over schepsels van alle andere sterren!" en de totale vanzelfsprekendheid van Genesis wordt op slag problematisch. De mens, voor een kar gespannen door een marsmannetje of eventueel aan het spit gedraaid door een bewoner van de melkweg, zal dan misschien denken aan de kalfskarbonade die hij gewoonlijk op zijn bord sneed, en zal (te laat!) de koe zijn verontschuldigingen aanbieden.
Uit: Milan Kundera, De ondraaglijke lichtheid van het bestaan