Weet jij niet dat het leven eindig is? (Lacht) Weet jij niet dat je kan sterven als je hier buitengaat? Dat je kan verongelukken? (Alsof hij panikeert) Moet ik bang worden? De dood is iets natuurlijks. Vele beschavingen vrezen de dood niet. Ze vrezen wel de pijn die de dood begeleidt. Maar als de dood komt, is het lijden voorbij. Ik leef niet naar de dood, ik leef voor het leven. Wil jij zeggen dat naarmate ik ouder word, ik dichter bij de dood sta? Geen denken aan. Als mijn leven een lange autoweg zou zijn, die mij tot 80 jaar en dan naar de hemel zou voeren, dan is het einde halfweg natuurlijk een drama. Maar wie zegt dat ons leven een autoweg is? Dat is toch een puur economische interpretatie van de levenstijd? Als ik vandaag ten volle leef, kan ik vóór het slapengaan zoals de monniken bidden: 'Laat nu, Heer, uw dienaar in vrede heengaan.' Dat is dan genoeg. Morgen wordt het een andere dag met nieuwe verrassingen. Ik wil het lijden niet minimaliseren. Zeker niet het lijden van een ander. Maar dat wij sterfelijk zijn, wisten we al. Het lijden maakt ons aandachtig voor de transcendentie. Het opent voor ons de deur tot het bewustzijn van onze onwetendheid, wij leren dat wij niet alles kunnen weten of begrijpen.
Maar het is onrechtvaardig te jong te sterven.
Wie zegt dat? Het is onrechtvaardig wanneer ik vijf miljoen peseta's bezit en jij slechts twee miljoen. Maar waarom zou de dood te vroeg komen?
Omdat een mensenleven 60, 70 en zelfs 80 jaar mag duren om het te voltooien.
Het is geen onrecht als een kind van vijf sterft. Al zal ik protesteren en vechten wanneer kinderen moeten sterven op vijf jaar omdat ze ondervoed zijn. Sterven van de honger is wél een onrecht. Maar existentieel gesproken heeft dat kind zijn leven niet 'gemist'. Ik kan op mijn tachtigste niet meer zo hoog springen, maar ik heb andere ervaringen. Wij zijn jaloers. We zeggen: 'Dat zijn rijken, dat zijn Amerikanen, dat zijn blanken. Ik wil mooi zijn en veel weten.' Ik, ik, ik. Laat dat 'ik' los. Laat dat 'ik' los. Enkele dagen geleden stond hier een vrouw uit het dorp: 'Waarom moest mijn zoon nu sterven?' Ik antwoordde haar een beetje wreed: 'Weet je dat er elke dag op de wereld miljoenen kinderen sterven?' 'Maar dat zijn de mijnen niet!' schreide ze. 'Nee, niet die van jou. Jouw zoon is de zoon die het dichtste bij jou staat. Om hem lijd jij het meest. Maar waarom wanhopen? Is dit onrecht? Neen. Zo gaat een mensenleven nu eenmaal. Wij kunnen het leven alleen een beetje veranderen, een beetje verbeteren, elke dag, elk van ons.
En na de dood?
Ik geloof in de verrijzenis in elk ogenblik dat ik sterf aan mezelf. Mijn eeuwig leven kan hier, elke dag gebeuren. De eeuwigheid komt niet later. De verrijzenis gebeurt hier en nu, met deze beenderen, met dit bloed. De verrijzenis is de christelijke belofte aan al wie zichzelf weggeeft. Eeuwig leven is slechts een beeld. Wij zijn allemaal druppels water die in het water zullen vallen. Plop. En dan niets meer. Maar het water van de druppel blijft bestaan. Mijn leven lang krijg ik de kans om te ontdekken dat ik water ben. Dat water zal niet verdwijnen. Het water van de druppel breekt alle grenzen en beperkingen die verhinderden dat de druppel de hele oceaan omhelst. In de zee waarin de vorm van je ik verdwijnt, maar waarin je wezen blijft bestaan. Hoe dat zal zijn? Dat weet ik niet. Is het niet fantastisch te kunnen zeggen dat alle lijden zal verdwijnen en dat wat ik werkelijk ben, blijft? Wij hoeven de dood niet te vrezen. Ik kan vandaag ontdekken dat ik eeuwigheidswaarde in mij draag, dat mijn leven niet eindigt bij mijn vingertoppen of bij mijn geest.
Raimon Pannikar (80) is doctor in de filosofie, theologie en natuurwetenschappen, spreekt twaalf talen.
Zoon van Indiase vader en Catalaanse moeder.
Uit: Wereldwijd, april 1998