"Er was iemand genaamd Shveta Aroeneya. Zijn vader Oeddalaka zei tegen hem: "Shveta, wees een waardige leerling, mijn beste. Niemand in onze familie is tot nu toe in gebreke gebleven ten opzichte van de Veda-studie en daardoor louter brahmaan door geboorte geweest."
Twaalf jaar oud op dat moment, zocht Shveta een leraar, en kwam terug toen hij vierentwintig was,nadat hij alle Vedas bestudeerd had. Hij was stijf had een hoge dunk van zichzelf, en beschouwde zichzelf als geleerd.
Zijn vader zei tot hem: 'M'n beste Shveta, je loopt in de wolken, je beschouwt jezelf als geleerd, en je bent verwaand. Heb je dan van je leraar niet gevraagd naar die leer waardoor gehoord wordt wat voorheen niet gehoord werd, waardoor gedacht wordt wat voorheen nooit voorwerp van denken was, en waardoor geweten wordt wat voorheen niet geweten werd?" ,"Mijn heer, wat is die leer?" vroeg Shveta.
"Wanneer iemand sterft, mijn kind, gaat de stem in in het verstand, het verstand in de levensadem, de levensadem in de gloed, de gloed in het hoogste Wezen. Wat dat ijle is, dat heeft de hele wereld als haar ziel. Dat is werkelijkheid. Dat is Atman. Dat ben jij, o Shveta."
"Breng me een vrucht hier van de Nyagrodha-boom." "Hier is zij, heer." "Splijt haar open!" 'Zij is gespleten, heer." "Wat zie je daar ?'
"Heel kleine zaden, heer!" "Splijt er éen open!' "Zij is gespleten, heer!" "Wat zie je daar?" "Helemaal niets, heer!"
Toen zei Oeddalaka Aroeni: "Waarlijk, mijn kind, dat ijle, wat je niet ziet, uit dat ijle rijst deze immense Nyagrodha-boom op. Geloof me, mijn kind, wat dat ijle is, dat heeft de hele wereld als haar ziel. Dat is werkelijkheid. Dat is atman. Dat ben jij, o Shveta!"
"Leg dit zout in het water en kom morgen weer bij me terug.' Dat deed Shveta.Toen zei Oeddalaka hem: "Het zout dat je gisteravond in het water deed, breng dat hier.'Hij voelde er naar, maar kon het niet vinden, want het was geheel opgelost.
'Proef van het water aan deze kant", zei Oeddalaka, "Hoe smaakt het?'
'Zout' "Proef ervan in het midden", zei Oeddalaka, 'Hoe smaakt het?" "Zout" "Proef ervan aan de andere kant", zei Oeddalaka, 'Hoe smaakt het ?' 'Zout" 'Zet het weg en kom bij me." Dit deed hij, zeggende: "Het is overal hetzelfde." Toen zei Oeddalaka tot hem: "Waarlijk, mijn kind, je merkt hier het ware Zijn niet, maar het is er werkelijk. Wat dat ijle is, dat heeft de hele wereld als haar ziel. Dat is werkelijkheid. Dat is Atman. Dat ben jij, o Shveta."
Uit: de Oepanishaden, geciteerd in: Albertina Nughteren, Hindoeïsme, Leuven/Apeldoorn, 1992