| In concreto moet men tijdelijk genoegen nemen met een beperkte capaciteit tot liefde. De 'schuld aan liefde' (Rom. 13:8) dient eerder te worden verstaan als een bevleugeling, een stimulans, dan als een drukkende of beklemmende plicht. In feite moet er ook ruimte zijn voor agressie. Agressiviteit, haat, slecht humeur en afkeer van sommige mensen bestaan. En in hun feitelijk bestaan worden zij erkend. Het streven naar een absolute norm met miskenning van de minder fraaie realiteit, van de 'schaduw' in ons, neurotiseert. Men heeft het christendom soms verweten, dat de nadruk, die het legt op de liefde, voortkomt uit een verdrongen haat. Dat is niet altijd onwaar. Dat betekent, dat het beminnen moet en mag worden 'geleerd'. Het is altijd méér opdracht en toekomst (gij 'zult') dan reeds gerealiseerde deugd. 'Dubieuze liefde' is een liefde, die de eigen agressie niet durft te herkennen. Geen samenleving tussen mensen is mogelijk zonder botsingen. Een liefde, die de daaronderliggende ergernis of geprikkeldheid niet herkent, wordt onnatuurlijk, suikerzoet of geforceerd. Zij is op den duur voor de ander onverdragelijk. Men schijnt te moeten zeggen, dat menselijke liefde een flink stuk agressie vereist. Onze betrekkingen krijgen door de erkenning daarvan een nuchter, realistisch en gezond karakter. De agressie heeft een rechtmatige plaats binnen de liefde, als een kleine storing of onderbreking van de grote stroom. uit: Jan Van Kilsdonk, Gezegend de Onzienlijke |