De Indianen 1

Komend uit Temuco val ik onderweg in slaap.

Plotseling word ik gewekt door de pracht van het landschap. Voor mijn ogen verschijnt en schittert de Repocura-vallei, alsof iemand opeens het doek van een andere wereld had opengetrokken.

Maar deze grond is niet meer, zoals vroeger, van allen en van niemand. Een decreet van de dictatuur van Pinochet heeft de gemeenschappen op-gebroken door de Indianen tot de eenzaamheid te dwingen. Zij volharden er echter in hun armoede te verenigen en nog werken zij samen, zwijgen zij samen, spreken zij samen:

U hebt nu vijftien jaar dictatuur,' leggen zij mijn Chileense vrienden uit. 'Wij vijf eeuwen.'

Wij gaan in een kring zitten. Wij zijn in een medisch centrum dat geen dokter heeft, geen streekverpleger, geen zuster, en die ook nooit heeft gehad.
je bent er om dood te gaan, meer niet,' zegt een van de vrouwen.
De Indianen, die schuldig zijn aan het feit dat zij niet in staat zijn tot het
privé-bezit, bestaan niet.
In Chili zijn geen Indianen: alleen Chilenen, zeggen de regeringsaffiches.

De Indianen 2

De taal als verraad: wreedaards wordt er tegen hen geschreeuwd. In Ecuador noemen de wreedaards hun slachtoffers wreedaards:

'Wrede Indianen,' zeggen ze tegen hen.

Van iedere drie Ecuatorianen is er één Indiaan. De andere twee peperen hem elke dag de historische nederlaag in.

'Wij zijn de overwonnenen. Zij hebben de oorlog van onsgewonnen. Wij verloren hem omdat wij hen geloofden. Daarom,' zegt Miguel, die diep in het Amazonewoud is geboren, tegen mij.

Zij worden net zo behandeld als de negers in Zuid-Afrika: de Indianen mogen geen hotels of restaurants betreden.

'Op school kreeg ik slaag wanneer ik onze taal sprak,' vertelt Lucho, die ten zuiden van de bergketen is geboren.

'Mijn vader verbood mij quechua te spreken. Het is voor je bestwil, zei hij,' herinnert Rosa, Lucho's vrouw, zich.

Rosa en Lucho wonen in Quito. Zij zijn eraan gewend 'Smerige Indianen' tegen zich te horen zeggen. Indianen zijn dom, lui, dronken. Maar het systeem dat hen veracht, veracht wat het niet kent, omdat het niet kent wat het vreest. Achter het masker van verachting huist de paniek: die oude, hardnekkig voortlevende stemmen, wat zeggen zij? Wat zeggen zij wanneer zij spreken? Wat zeggen zij wanneer zij zwijgen?

Eduardo Galeano, Het boek der omhelzingen