| Je moet je hier - of je nu wilt of niet - telkens de vraag stellen, of het allemaal zin heeft en wat voor zin. Hoe meer ik erover nadenk, des te meer realiseer ik me, dat ik een definitief antwoord daarop niet buiten mezelf zal kunnen vinden: informatie van buitenaf zal me niet helpen bij het vinden van een antwoord. Dat soort informatie bestaat niet. Een antwoord - een positief antwoord kan ik uiteindelijk alleen maar in mezelf vinden, in mijn geloof, in mijn hoop. Tegenover wie of wat moet je in deze wereld verantwoording afleggen? Waar moetje je op richten ? Waar ligt de laatste horizon van iemands handelen, waar ligt het absolute vluchtpunt van alles watje doet; wat vormt dat 'geheugen van het zijn' dat niet te loochenen valt, dat 'wereldgeweten', en wat is de hoogste 'gerechtelijke' instantie; wat bepaalt de beslissende maatstaf, achtergrond of ruimte voor iemands existentiële ervaring ? En wie is tegelijkertijd hoofdgetuige van, of geheimzinnige partner in de dagelijkse gesprekken die je met jezelf voert; wie is het die je -onafhankelijk van de situatie waarvoor je gesteld wordt -onafgebroken vragen stelt, op wie je steunt en tot wie je je wendt in al je doen en laten; wie is het toch die je - vanuit diens alwetendheid en onomkoopbaarheid - zowel kan doen schrikken als je te hulp kan komen en voor wie je eigenlijk voortdurend je best doet? Vanaf mijn kinderjaren voel ik duidelijk dat ik niet mezelf - en vooral: geen menselijk wezen - zou zijn, als ik niet in een voortdurende en veelzijdige spanning met deze horizon van mij zou leven, met deze bron van alle zin en hoop - en van jongs af aan verkeer ik al in onzekerheid of het hier om een 'godservaring' gaat of niet. Hoe dan ook - ik ben beslist geen goed christen of katholiek (Zoals vele van mijn goede vrienden) om verschillende redenen, o.a. omdat ik mijn God niet vereer en absoluut net inzie waarom ik hem zou moeten vereren. Wat hij voor mij is - de horizon zonder welke alles zinloos is en ik eigenlijk niet kan bestaan - dat is hij door zijn wezen, niet dank zij een stunt, die respect zou verdienen. Ik geloof niet dat ik, door hem voorbeeldig te vereren, mezelf op deze wereld zou kunnen verbeteren en de gedachte dat deze 'intiem-kosmische' partner, die nu eens mijn geweten, dan weer mijn hoop, nu eens mijn vrijheid en dan weer het wereldgeheugen belichaamt, van mij een verering zou verwachten (of me zelfs maar zou beoordelen naar de mate waarin ik hem vereer), lijkt me absurd. Hiermee hangt samen dat ik alles altijd opnieuw, op een oorspronkelijke en eigen wijze van het begin af aan wil kunnen beoordelen, dat wil zeggen: mijn ervaringen moet kunnen nagaan in een dialoog met mijn eigen God, waar niemand tussen komt. Immers niets zou gemakkelijker zijn dan verwijzen naar een gerespecteerde, materiële autoriteit, al was het maar de Heilige Schrift zelf. (De boodschap van Jezus zie ik als een aansporing om mijn eigenweg te bewandelen. Ik ben gewoon een kind uit het tijdperk van het rationeel denken en niet van het mythisch denken en daarom zie ik mijn God als ik over hem moet spreken (wat ik niet graag doe) als iets heel abstracts, wazigs en in feite weinig aantrekkelijks (te meer, daar mijn verhouding tot hem zo moeilijk grijpbaar is). Dit is tenminste het beeld dat ik van hem geef om de mensen met wie ik over hem probeer te praten - mijn godservaring als zodanig is zeer levendig, intiem en concreet en misschien (dank zij de telkens weer verrassende veelvormigheid ervan) ook levendiger dan de ervaring van degenen die hun 'normale' God uitgerust hebben met alle bijbehorende attributen waar hij echter - vreemd genoeg - dikwijls eerder verborgen blijft dan naderbij gebracht wordt.). Wat ook typisch voor mijn God is: hij is een meester in wachten, waardoor hij me soms zelfs wat zenuwachtig maakt. Alsof hij verschillende mogelijkheden voor me wil arrangeren om dan vervolgens zwijgend mijn reactie af te wachten. Als ik faal, straft hij me, maar alleen indirect, via mezelf, bijvoorbeeld via allerlei zelfverwijten) en als ik niet te kort schiet, beloont hij me (met verlichting en vreugde). Hij laat me zelfs in onzekerheid verkeren. (Bij voorbeeld als ik mezelf iets verwijt en me afvraag waarom ik dat doe, als ik blij over iets ben, waarom ik dat ben. Is het soms niet allemaal om hem ?) Zijn laatste oordeel speelt zich op dit moment af, steeds weer opnieuw en toch gaat het juist telkens weer om een laatste oordeel: niets van wat gebeurd is kan ongedaan gemaakt worden alles ligt opgeslagen in het 'geheugen van het zijn' - ook ik zit erin - voorgoed veroordeeld tot mezelf zijn - tot zijn zoals ik ben en tot degene die ik van mezelf maak. Maar ik was begonnen met iets heel anders: met de vraag of het allemaal zinvol is. Het feit dat ik het laatste, beslissende antwoord sléchts in mezelf kan vinden, betekent natuurlijk niet dat ik me niet zou interesseren over wat de buitenwereld' ervan denkt, of dat ik helemaal niet geïnteresseerd zou zijn in deze buitenwereld. Ik leef immers in deze wereld en daardoor worden mijn mogelijkheden bepaald; de materie van deze wereld bepaalt de structuur van mijn levensalternatieven en slechts via deze wereld kan ik me tot die 'hogere' horizon, waarover ik je al vertelde, verheffen. Vaclav Havel, Brieven aan Olga |