Het zijn de theologen en de kerken die de ondergang van God hebben georganiseerd. Ze zijn hem gaan uitpluizen, hebben hem een hiërarchische positie toegekend ( de hoogste in het heelal), een numerieke eigenschap (er is er maar één) en een kwalitatieve) hij is eeuwig-onveranderlijk. Ze zochten naar zijn bedoelingen en voorzienigheid, stelden als het ware een psychologie van God op. De rechtstreekse ervaring die elke mens op zijn eigen unieke manier van de goddelijke realiteit heeft, werd tot een stel algemene regels herleid, de voorschriften en stellingen van een officiële leer. Het kan geen wonder zijn dat deze God, na te zijn geïnstalleerd, werd afgevoerd.
Over de religieuze grondervaring kan de mens niet spreken, omdat er geen bruikbare begrippen en woorden voor bestaan. Een samenleving die ook haar godsbegrip ontleedt, formuleert en dus reduceert - zoals de Kerk altijd gedaan heeft - constateert uiteindelijk dat de God waarover zij spreekt een dode is. Ze maakt van hem een autoriteit of een instituut, te simpel en te ontoepasselijk om herkenbaar te zijn. - Dat is het pijnlijke gelijk van de atheïst. Echter, in de middeleeuwen richtten de gelovigen zich nog tot God in een taal van gotiek en gregoriaans, terwijl de geleerden hem in hun scholastieke discussies trachtten te vangen. Gotiek en gregoriaans hadden het voordeel niet af te hangen van woorden met hun afgebakende en ontoereikende betekenissen.

Gerard Bodifée