'In de tijd van de illegaliteit verscheen op een keer in het huis van de heer Egge, die geleerd had nee te zeggen, een agent. Die liet hem een papier zien dat was uitgeschreven in naam van degenen, die de stad beheersten, en waarop stond dat leder huis hem moest toebehoren, waarin hij zijn voet zette; zo moest hem ook alle voedsel toebehoren, dat hij eiste; zo moest ook iedere man hem dienen, die hij zag.
De agent ging in een stoel zitten, verlangde voedsel, waste zich, ging liggen en vroeg voordat hij insliep met zijn gezicht naar de muur: 'Zul je mij dienen?'
Meneer Egge dekte hem toe met een deken, verdreef de vliegen, bewaakte zijn slaap, en zoals op deze dag gehoor-zaamde hij hem zeven jaar lang. Maar wat hij ook voor hem deed, voor één ding waakte hij zorgvuldig: dat was ook maar één woord te zeggen. Toen nu de zeven jaren voorbij waren en de agent dik was geworden van het vele eten, slapen en bevelen, stierf de agent. Toen wikkelde meneer Egge hem in de bedorven deken, sleepte hem uit het huis, verschoonde het bed, witte de muren, ademde op en antwoordde: 'Nee.'
Uit: Bertolt Brecht, Vertellingen over meneer K.