Geschiedenis

  1. boom
  2. ontstaan van een baksteennijverheid
  3. ontstaan van kleiputten
  4. de rupel
  5. de oude schelde


Boom
Ontstaan van Boom
Vermoedelijk ontstond Boom in de Romeinse periode.
Boom behoorde aanvankelijk tot de parochie Kontich.
In 1290 werd Boom, samen met Rumst, Terhagen, Willebroek, Ruisbroek en Heindonk verenigd tot de heerlijkheid "het Land van Rumst".
In 1645 verkreeg Boom een eigen schepenzegel en daardoor haar zelfstandigheid
Van waar komt de naam "Boom"?
Boom is ontstaan nabij de Rupel, op de weg die de twee reeds bestaande dorpen Rumst en Schelle, respectievelijk aan de bron en aan de monding van de Rupel, met elkaar verbond. Op deze weg moet ergens een opmerkelijke boom gestaan hebben die, in of nabij de moerassige oeverstrook, de aandacht trok van de mensen die er te land of te water voorbij kwamen. Zo'n boom kon dienen ter oriŽntering, als wegwijzer.
De plaats zelf en de onmiddellijke omgeving werd aangeduid door uitdrukkingen als "bij den boom", "van den boom", enz. Naarmate de bevolking aangroeide en het dorp uitbreiding nam, werd het hele grondgebied "den boom" en later "Boom" genoemd
Legendes
Eerste gangbare legende over het ontstaan van de plaatsnaam:
een boom van onbekende soort kwam aandrijven in de Rupel. Het hout was zo hard dat men tevergeefs trachtte de boom stuk te hakken. Doch onder de hand van een beeldhouwer ontstond zonder buitengewone inspanning een schoon Maria-beeld.
Volgens een andere versie droeg de aangespoelde boom reeds een Onze-Lieve-Vrouwbeeldje, of was het beeld zelf aangespoeld en door de eerste geloofsverkondigers in een buitengewone boom geplaatst. Het gaat hier duidelijk om een "onbekende" of "buitengewone" boom van een zeldzame houtsoort. De verklaring voor deze legende werd in verband gebracht met de devotie tot Onze-Lieve-Vrouw. De centrumparochie is van ouds aan haar toegewijd. Nu nog steeds bewaart het gemeentewapen trouw de herinnering aan deze eeuwenlange verering.
Ontstaan van de baksteennijverheid
De Romeinen voerden het steenbakken in onze streken in, maar de val van het Romeinse Rijk betekende ook het einde van de baksteennijverheid.
In de 13de eeuw kende deze industrie een heropbloei. In die periode waren de eerste steenbakkers kloosterlingen die materiaal nodig hadden voor de bouw van hun abdij (Sint-Bernardusabdij) te Hemiksem.
Eerst werd klei gebakken in open lucht. Maar door de eeuwen heen werden steeds betere bakovens gebouwd, zodat meer stenen in steeds minder tijd konden geproduceerd worden.
Begin jaren '60 werkten in de Rupelstreek ongeveer 5.000 personen in de baksteennijverheid, en nog eens 7.000 personen in aanverwante nijverheden.
Concurrentie uit andere streken, crisis in de bouwsector en het gebruik van andere bouwmaterialen deden de steennijverheid geen goed. Bovendien weigerden vele steenbakkers te mechaniseren. De resultaten bleven niet lang uit... Bij het begin van de jaren '70 begon de teloorgang van de baksteennijverheid in de Rupelstreek: verscheidene fabrieken moesten hun deuren sluiten, met grote werkloosheid tot gevolg. Van de 34 steenbakkerijen langs de Rupel, tussen Hemiksem en Rumst, zijn er in 1991 nog 6 in werking.
Ontstaan van Kleiputten
Vanaf de Schelde- en Rupelboorden werd in de loop der eeuwen de cuestahelling progressief afgegraven voor kleiwinning. Enkel bestaande wegen en bebouwingen werden gespaard. Zo ontstonden de typische "dijkwegen".
De cuesta werden afgegraven tot op ongeveer het niveau van de gemiddelde laagwaterstand. De kleilagen liggen echter nog dieper. Het aansnijden van deze kleilagen gaf aanleiding tot het graven van verdiepputten.
Niet altijd werd op een verantwoorde en rationele manier de cuestarug afgegraven. De steenbakkers lapten meermaals de wetgeving aan hun laars. Soms werd het laatste restje klei tot achter de woningen weggegraven, wat een reŽel instortingsgevaar betekende.
De rupel
In de aardrijkskundeles heb je waarschijnlijk ook geleerd dat de Rupel in de Schelde uitmondt te Rupelmonde. Maar eigenlijk zou je de samenvloeiing net zo goed kunnen situeren in Schelle. Deze gemeenten zijn immers overburen: ze liggen aan weerszijden van de Schelde, die daar de provinciegrens vormt tussen Oost-Vlaanderen en Antwerpen.
De Rupel is met haar 13 km niet bepaald een van de langste Belgische rivieren. Ze ontstaat te Rumst door de samenvloeiing van de Nete en de Dijle en mond tegenover Rupelmonde rechts in de Schelde uit tussen de gemeenten Hingene en Schelle. De naam Rupel is afkomstig van 'Rupe-ra', wat 'machtig en onstuimig water' betekent. Deze rivier, 13 km lang en 100 :11 breed, had net als de Schelde een ondiepe bedding. Bij de samenvloeiing van de Rupel en de Schelde ontstaat een wieling of draaikolk, die de schippers verplicht4e om voorzichtig te manoeuvreren. In de monding van de Rupel met de Schelde werd in 1302 een zee-of waterslag geleverd tussen de ~1echelaars en de hertog van Brabant. Het strijdtoneel was zeer uitgestrekt: het gehucht Nattenhaasdonk samen met laag Hin-gene vormde met Rupel en Schelde een meer van ongeveer 300 ha.
De Vliet, die te Schelle in de Schelde uitmondt, wordt van water voorzien door de Grote Struisbeek vanuit Wilrijk.
En de Schelde, de machtige maar immens vervuilde stroom die ook in dit wandelboek een belangrijke rol speelt, ontspringt in het noorden van Frankrijk op de hoogvlakte van Saint-Quentin. Ze komt BelgiŽ binnen in Henegouwen, vormt op verscheidene plaatsen de grens tussen de provincies en mondt in Nederland via de Westerschelde in de Noord-zee uit. De Schelde is zo'n 355 km lang, waarvan 193 km op Belgisch grondgebied. In mis land wordt de Schelde opgedeeld in drie sectoren:
1) Bovenschelde (Franse grens-Gentbrugge); 2) Zeeschelde 1 (Gentbrug-ge-monding Rupel) en 3) Zeeschelde II (monding Rupel-Nederlandse grens). De Zeeschelde of Benedenschelde is een getijdenstroom.
De oude schelde

Groot-Bornem ligt als belangrijkste gemeente van Klein-Brabant langs de Schelde en de Oude Schelde, een afgesneden Scheldearm van 7 km lang die zowat het grootste binnenwater van Vlaanderen is.
De Schelde speelt de hoofdrol in een streek vol landschapsschoon die tot voor enkele decennia een wat achtergebleven gebied was, maar sindsdien door de industrie ontsloten werd. Klein-Brabant, dat uit de gemeenten Bornem, Puurs en Sint-Amands bestaat, heeft de jongste jaren naam gemaakt als toeristische trekpleister.
De Oude Schelde met de 115 ha schorren is waarschijnlijk in de t3de eeuw ontstaan, toen de Schelde zich een nieuwe bedding groef na dijkbreuken voor Tielrode en bij l3ranst. De Durme mondde toen uit in de Schelde te Temse, tegenover het Sas van l3ornem. Vermoedelijk werd de stroombedding gewijzigd door de geregelde overstromingen die de streek rond 1240-41 teisterden. In die periode lag deelgemeente Weert niet meer op de linkeroever van de Schelde bij Temse, maar op de rechteroever. In 1332 werd door graaf Robrecht van Kassel de oude bedding door twee dijken van de nieuwe afgescheiden, waarna de verlaten arm Oude Schelde genoemd werd. Weert belandde hierdoor op een eiland, zodat in 1523 onder leiding van de Gentse Sint-Baafsabdij begonnen werd met de inpoldering van de zone tussen beide Scheldebeddingen. Daar de omgeving een meestal overstroomd en moerassig gebied bleef, liet de Spaanse edelman Pedro de Coloma tussen 1589 en 1592 het sas bouwen. Deze afwateringssluis was meteen het eerste waterbouwkundig monument in Vlaanderen intussen is het beschermd.
De Oude Schelde was hierdoor niet meer onderhevig aan de getijden, zodat het overstroomde gebied drooggelegd kon worden en kleine sche-pen tot in de nabijheid van l3ornem-centrum konden varen. De Oude Schelde vangt een groot gedeelte van het oppervlaktewater van Bornem op, vanaf het centrum tot het gehucht Branst.
Nadat zo'n tien jaar geleden te Weert een nieuwe ontwateringssluis gebouwd werd,
werd de verbinding tussen Sas en Schelde gedempt, maar bleef het Sas behouden.