De Begijntjes

De Begijntjes

De informatie voor deze tekst werd geput uit een brochure "Stadswandeling door de wijk St-Elisabeth-begijnhof" - 1985, welke op haar beurt geput werd uit de tentoonstellingscataloog "750 jaar begijnhofleven te GENT" - 1984 en "Gids voor de Gentse begijnhoven" - 1984. 

 

Ontstaan van de "Begijnen"-beweging:

In de 12e en de 13e eeuw ontstonden er in West-Europa nieuwe religieuze bewegingen die reageerden tegen de wantoestanden en het zedelijk verval en die de nadruk legden op een sobere, zelfs ascetische levenswijze. In deze kontekst ontstond de begijnenbeweging.

Aanvankelijk waren de begijnen vrome vrouwen die zowat het midden hielden tussen leken en religieuzen. Ze leefden verspreid in de stad en combineerden hun vroom leven met een verzorgingstaak ten dienste van zieken en minder-begoeden. Meer en meer groeide echter de wens van deze vrouwen om zich in gemeenschappen af te zonderen.

In tal van steden werden er begijnengemeenschappen gevormd en gingen groepen begijnen zich in gesloten hoven afzonderen. Na vrij korte tijd werd er ook geijverd om over een eigen kerk met begraafplaats te mogen beschikken.

De ontwikkeling van de begijnenbeweging verliep in feite parallel met de groei van een sterker stedelijk bewustzijn. Vooral de bedelorden stonden in voor de "zielzorg" van de stedelingen. Het is dan ook niet toevallig dat dominikanen en franciscanen als geestelijke raadgevers van de begijnengemeenschappen aangesproken werden.

Naast religieuze beweegreden was er ook een sociaal-economische factor verbonden aan het onstaan van de begijnhoven. Door de kruistochten, oorlogen en vele veldslagen, door het groot aantal "roepingen" in mannenkloosters en abdijen was er een belangrijk overschot aan vrouwen. Door ze te groeperen in hoven, kon men hen in of bij de steden een veiliger bestaan garanderen!

Het leven van de begijn:

 

Het leven van de begijn was allereerst religieus geïnspireerd. Er waren de kerkdiensten, het gemeenschappelijke en individuele gebed. Er was ook de devotie: naast een aantal heiligen (Elisabeth, Anna, Begga, .... ) was de Maria-verering essentieel. Naast bidden nam ook werken een belangrijke plaats in in het leven van elke begijn. De begijnen bleven zelf beschikken over hun goederen en over de inkomsten van hun bedrijvigheden. Naast de zielzorg, het huishouden en de andere taken die aan de zelfstandigheid van het hof verbonden waren (boerderij, bakkerij, ...) werkten de begijnen vooral in de textielsector. Eerst waren ze ingeschakeld in de laken en linnennijverheid. Later verdienden ze vooral de kost met kant-, naai- en borduurwerk.

Het leven in het begijnhof werd geregeld door een reeks voorschriften, de "regel" genoemd. Elk begijnhof had zijn eigen regel. Aan het hoofd van het begijnhof staat de "grootjuffrouw", die jaarlijks door stemming van de begijnen wordt herkozen of vervangen. Doorgaans duurde de inwijdingstijd of de "novicetijd" twee jaar. Na die voorbereidingstijd werd de ingetredene in het begijnhof opgenomen of "gesteed". Ze legde de gelofte van gehoorzaamheid en van zuiverheid af, niet deze van armoede.

Een begijn kon op elk ogenblik het hof verlaten om bv. een huwelijk aan te gaan. De begijnen droegen allen éénzelfde, eenvoudig kleed zodat men ze ook daaraan gemakkelijk kon herkennen. Deze kledij maakt in de loop van de eeuwen uiteraard een hele evolutie door.

HET BEGIJNHOF - Algemeen.

Elk begijnhof vormde een miniatuurstadje, meestal aan de rand van de eigenlijke stad opgetrokken. Het gesloten voorkomen wordt benadrukt door een omwalling of omheiningsmuur (a) ( zie het plan WAUTERS uit 1781 dat u wat verder zult vinden), met een poort (b) die bij zonsopgang geopend en bij zonsondergang gesloten wordt. Centraal binnen elk hof bevindt zich de kerk (c). Daarrond lag oorspronkelijk een kerkhof (d).

Toen het door keizer Jozef-II (van Oostenrijk) bij decreet van 26 juni 1784 verboden werd nog omheen de kerk te begraven, werd op die plaats een weide aangelegd. In elk begijnhof was er van bij de inrichting een infirmerie (e), ten dienste van de zieke en behoeftige begijnen. In de buurt van de infirmerie vinden we ook het groothuiz of de woning van de grootjuffrouw (f) , die het hof bestuurt.

De conventen zijn heel typisch voor elk begijnhof (g). Het zijn gemeenschapswoningen die bestemd waren voor de novicen en voor minder begoede begijnen. De conventen werden gesticht door belangrijke families en bleven eigendom van het hof. Binnen de woningen waren de meest convent-kamers gemeenschappelijk, maar elke novice of begijn had een eigen slaapkamertje.

Het leven in de conventen was zeer sober. Elk convent had een voortuin en een binnenhof. De plantenaanleg vertoont veelal deze kenmerken: opdeling in een aantal plantsoenen die door wegjes van elkaar gescheiden worden, elk plantsoen is afgeboord met palmstruikjes waarbinnen een weelde van bloemen voorkomt. Als klimplant treft men vaak een rozenstruik aan. Frequent is ook de plaasteren mini-grot van Lourdes (Mariaverschijning in OOSTAKKER-Lourdes in 1874).

Aangezien de begijnen geen gelofte van armoede afleggen, werd hun de mogelijkheid geboden om een eigen huis binnen het hof te betrekken. Na de novicetijd kon zij een huis "voor haar lijf" (dus voor haar leven) huren of kopen. Na haar dood kwam het huis terug aan het begijnhof toe, dat de woning opnieuw kon verkopen of verhuren. Deze financiële verrichtingen gebeurden ten voordele van de infirmerie.

In een begijnenhuis konden ook 2 tot 4 begijnen samenwonen. De nadruk op de afzondering van de begijnen binnen het gesloten hof komt ook tot uiting in de woonhuisopvatting. Bij elk huis hoort een voortuin en een muur langs de straatkant.

Ik elk begijnhof zijn er ook een paar priesterwoningen. Daar mannen niet in het begijnhof mochten wonen, werden de meeste priesterhuizen aan de rand van het hof, bij de poort opgetrokken.

In alle begijnhoven bevondt er zich ook een pesthuis (j), waar in tijden van epidemieën de zieken afgezonderd werden. Daar het meestal omringt was door bleekweiden, werdhet pesthuis ook als washuis gebruikt als er geen epidemieën waren.

De Gentse begijnhoven.

Het ontstaan van de Gentse begijnhoven is nauw verbonden met twee gravinnen van Vlaanderen, met name Johanna en Margaretha van Constantinopel. Gravin Johanna (1200 - 1244) is bekend om haar religieuze ingesteldheid en om haar daadwerkelijke steun bij de oprichting van verschillende religieuze instellingen.

Gravin Margaretha (1244- 1278) zette het werk van haar zuster verder. Algemeen wordt het jaar 1234 vermeld als stichtingsjaar voor de twee oudste begijnhoven te Gent, nl. Sint-Elisabeth en Onze-Lieve-Vrouw ter Hooie (Lange Violettenstraat). Poortakker of het Sint-Aubertusbegijnhof (Oude Houtlei) werd kort voor 1278 opgericht.

Op het einde van de 13e en het begin van de 14e eeuw waren er moeilijkheden. De volksgetinte vroomheid van de begijnen was fel besproken en men ging hen verdenken van ketterij. Of dit ook te maken heeft met het feit dat begijnhoven ook als "opvangcentrum" dienden voor ouderwordende prostituees (waarover op zichzelf al veel discussie bestaat) is niet duidelijk.

De Gentse begijnen konden rekenen op de inzet van verschillende gezagdragers. Ook toen in 1311 de begijnenbeweging opgeheven werd door paus CLEMENS V. Na een uitgebreid onderzoek in 1328, door de bisschop van Doornik ingesteld, werden ze van elke verdenking vrijgesproken.

De beeldenstorm in de tweede helft van de 16e eeuw teisterde ook de Gentse begijnhoven. In 1582 werd overwogen om de kerk van het Sint-Elisabethbegijnhof te slopen, maar dit ging niet door.

Na deze moeilijke periode brak er voor de Gentse begijnhoven een grote bloeitijd aan. In aansluiting op de beginselen van het Concilie van Trente (1545 - 1563) propageerde en steunde de religieuze en burgerlijke overheid een godsdienstig renouveau.

Tussen 1612 en 1672 werden er door het Gentse stadsbestuur subsidies uitgereikt aan eigenaars die verouderde of bouwvallige houten huizen door een stenen woning wilden vervangen. Ook de begijnhoven konden hiervan profiteren. Voor de Gentse begijnhofarchitectuur betekent de 17e eeuw werkelijk hét hoogtepunt omdat het gebouwenbestand van de begijnhoven bijna volledig vernieuwd werd. Het is de tijd van de bekende mecenas-bisschop Antoon TRIEST (1576 - 1657).

De Franse bezetting van onze gewesten (1795) maakte plots een einde aan de twee eeuwen bloei. Door in de Franse tijd als godshuis erkend te worden, ontsnapten de begijnhoven evenwel aan de wet op de nationalisatie van de kerkelijke goederen (1-9-1796). Ze werden wel toegewezen aan de Commissie der Burgerlijke Godshuizen (de voorloper van het huidige O.C.M.W.) die de bevoegdheid kreeg over hun goederen. De begijnhoven kregen het statuut van burgerlijk godshuis, de bidplaats verloor haar religieuze functie en de begijnen moesten hun typische kledij afleggen.

Door het Concordaat van 1801 tussen Napoleon en paus PIUS VII konden de kerken (ook die van de begijnhoven) opnieuw voor de eredienst geopend worden.

In het midden van de 19e eeuw ontstonden er moeilijkheden tussen het uitgesproken liberaal denkend stadsbestuur en de katholieke Commissie van de burgerlijke Godshuizen en de begijnhoven. In een politiek vergiftigd klimaat worden de begijnhoven een speelbal van de liberaal-katholieke confrontatie te GENT. Begijnhof Poortakker werd in 1861 opgeheven. In 1862 kocht hertog Engelbert-August VAN ARENBERG (1824 - 1875) het begijnhof van O.L.V. ter Hooie en redde het aldus van de ondergang.

De moeilijkheden met het Sint-Elisabethbegijnhof resulteerde uiteindelijk in het verhuizen van de begijnen in 1874 naar een volledig nieuw begijnhof dat door toedoen van dezelfde hertog VAN ARENBERG te Sint-Amandsberg opgericht werd. Inmiddels was men reeds in 1860 gestart met de ontmanteling en het openbreken van het Sint-Elisabethbegijnhof, waarvoor het zich in het huidige stadsbeeld op het eerste gezicht nauwelijks onderscheidt van andere woonwijken.

Tijdens de ontmanteling werden verschillende gebouwen en gebouwonderdelen gesloopt. Nieuwe straten werden door het oude "weefsel" heen getrokken (bvb. Verspeyenstraat, Rabotstraat), oude straten werden verbreed (bvb. Sofie Van Akenstraat) door de oude voortuintjes en muurtjes te slopen. Door de inzet van een aantal oudheidkundige verenigingen kon in het Sint-Elisabethbegijnhof nog het één en ander "gered" worden. We noemen de grote ingangspoort, welke in 1879 gesloopt werd en in 1925 als hoofdingang voor het Bijlokemuseum opnieuw opgericht werd.

Uiteraard is dit een pleister op een houten been: in de 20e eeuw takelt het begijnhof verderd achteruit. En ook al werd heel het Sint-Elisabethbegijnhof als "landschap" beschermd (K.B. 28-3-1956), men kan vaststellen dat de wettelijke voorschriften van het KB weinig of geen garantie bieden voor het behoud van het bouwkundig erfgoed zelf.

Vele kaakslagen aan oorspronkelijke interieurs binnen de conventen getuigen hiervan.

Hoe dan ook, Gent bekleedt een unieke plaats in de begijnhofgeschiedenis. In O.L.V.-ter-Hooie en in Sint-Amandsberg leefden er anno 1985 nog een 20-tal begijnnen die de eeuwenoude tradities voortzetten en er leven volgens de aloude (in de loop der jaren lichtjes aangepaste begijnhofregels).

Groot Begijnhof te GENT, anno 1949

In 2000 rest er als begijntje nog enkel de grootjuffrouw in het groot begijnhof van Sint-Amandsberg. Intussen is ook Grootjuffrouw Josepha Goethals (° Waarschoot 5-01915 / + 20-01-2003) overleden.

Intussen weten we dat enkele religieuze vrouwen, die wonen binnen de muren van het groot begijnhof te Sint-Amandsberg mogelijks terug starten met een begijnenbeweging. Afwachten maar !!!

Links naar andere begijnhoven-sites:

De Web-site van de vzw Elisabeth-Begijnhof  Druk hier.

Het museum van het Groot-Begijnhof te SINT-AMANDSBERG ....druk op de witkap-begijn...

Het vroeger Sint-Autbertusbegijnhof te GENT, "Poort-Ackere" ...druk op de witkap-begijn.

Informatie van de stad BRUGGE over het Begijnhof.....druk op de geelkap-begijn....

 07 mei 2003.