Ontmoetingen Met Elfen
In de tijd van de Engelse burgeroorlog leefde er een zekere Anne jefferies, die beroemd was omdat ze volhield dat ze in de ban was van het kleine volkse en bovendien door haar helderziendheid en haar vermogen tot genezing door handoplegging.

Anne vertelde vaak hoe ze eens zat te breien op een beschaduwd plekje, toen ze geritsel hoorde. Denkend dat het haar minnaar was, deed ze of ze niets hoorde. Toen kwam er een onderdrukt gegiechel en een gerinkel en liepen er zes knappe, kleine, in het groen geklede kereltjes de tuin in. Een van hen, de mooiste van allen, droeg een rode veer op zijn muts. Hij sprak haar teder toe, en toen ze haar hand naar hem uitstrekte, sprong hij daarop. Toen Anne de elf op haar schoot zette, klauterde hij tegen haar boezem omhoog en begon hij haar hals te zoenen. Ze voelde zich als betoverd door die vrijage... Vervolgens klommen de vijf andere kereltjes tegen haar jurk op en bedolven haar onder kusjes.
Opeens raakte er een haar ogen aan, alles werd 'donker om haar heen en ze voelde hoe ze door de lucht werd gedragen. Toen ze weer werd neergezet, opende ze haar ogen en vond zichzelf terug in een wonderland met welig groene bomen, prachtige bloemen, paleizen van goud en zilver, meren vol glinsterende vissen en fraai gekleurde zangvogels. Vorstelijk geklede mensen wandelden, zaten of dansten er, of vermaakten zich op een andere wijze. Ze leken niet langer kleiner dan Anne, die merkte dat ze zelf al net zo fraai was uitgedost. Intens gelukkig en bemind door haar zes vrien es, Anne daar wel altijd willen blijven.

Later sloop zij heimelijk weg met haar minnaar met de rode veer, maar de vijf anderen kwamen hen achterna met een woedende menigte in hun voetspoor, en verstoorden hun geluk. Opnieuw werd ze in duisternis gedompeld, vloog ze door de lucht, om te ontwaken op de grond in haar tuin, te midden van ongeruste
bekenden.

Maar de elfen bleven wel over haar waken en brachten haar elfenvoedsel. Toen er van heinde en ver mensen kwamen om haar te bezoeken, zodat haar faam al te groot werd, liet de overheid haar in 1646 vervolgen, arresteren en tot de gevangenis veroordelen. Ze kreeg daar niets te eten, maar kwam toch niets tekort dankzij het elfenvoedsel. Tenslotte kwam ze weer op vrije voeten, maar het sprak vanzelf dat ze nooit meer repte over haar bezoek aan Elfenland.

Arthur Conan Doyle (de geestelijke vader van Sherlock Holmes) beschreef in zijn De Elfen Komen de ervaring van een zekere mejuffrouw Winter uit Blamey in Cork, die - zoals de auteur stelt 'het elfenrijk schijnt te kunnen bereiken, via onstoffelijke communicatie'. De familie van juffrouw Winter had klaarblijkelijk een aantal 'communicaties' gehad met een elf, die Bebel heette.
De elf verklaarde dat hij eigenlijk een Leprechaun was. Hij hield veel van de kinderen des huizes en vaak zat het gezin te luisteren naar het vrolijk gesnap van de kinderen met de Leprechaun. De Leprechaun vertelde hun dat elfen goed met konijnen kunnen opschieten en dat ze vaak op kippen rijden, maar dat ze een hekel hebben aan honden.

Ook vertelde de Leprechaun dat er Pixies zaten in de oude ruÔne van een vesting in die buurt, maar dat het 's winters het domein van de Leprechauns was. Er waren mannetjes en vrouwtjes Leprechauns en ze hadden een vorstin: Koningin Picel, die rondvloog op een prachtige libel.

Dermot Mac Manus, auteur van Het Middelste Koninkrijk, vertelt hoe een vriend van hem, een arts, hem onthulde hoe hij als jongen op een warme
zomerdag met zijn vriendjes aan het zwemmen was en hoe ze toen in een afgelegen poel niet ver van Foxford in Mayo, een Leprechaun gezien hadden. Ze hadden elkaar na het zwemmen achterna gehold tot ze droog waren, kleedden zich aan en liepen langzaam naar huis. Bij het oversteken van een veld, zag de vriend van Mac Manus een klein figuurtje achter een rots wegschieten. Hij vertelde het aan zijn vriendje, maar die antwoordde dat het een vogelverschrikker geweest moest zijn, die flapperde in de wind. Omdat hij nieuwsgierig bleef, liep de jongen naar de rots om de zaak te onderzoeken en opeens stonden ze neus aan neus met een mannetje van iets meer dan een meter lengte in een glimmend zwarte, kraagloze jas, die tot de kin was dichtgeknoopt en met een muts op. Hij had peper-en-zout-kleurige bakkebaarden en een brede, vriendelijke grijns op zijn gezicht, maar de jongens schrokken geweldig en gingen er vandoor'of de duivel hen op de hielen zat'.
Er bestaat ook een verslag van een waarneming in het kuuroord Ilkley Wells in Yorkshire, aan het eind van de vorige eeuw.
Een man, William Butterfield, opende elke morgen de deur van het badgebouw. Op een dag stak hij al naar gewoonte de sleutel in het slot en draaide, maar de sleutel draaide door als in een leegte. Hij trok hem uit het slot om hem te bekijken, maar het was dezelfde zware sleutel van altijd. Daarop duwde William tegen de deur; die ging een eindje open, maar werd meteen weer met kracht dichtgeduwd. Toen hij er vervolgens een harde stoot tegen gaf, vloog de deur met een knal open. Tot zijn verbazing zag hij dat het wateroppervlak geheel overdekt was met kleine wezentjes, allemaal van top tot teen in het groen gekleed. Ze doken erin alsof ze een bad wilden nemen en brabbelden onverstaanbaar. Al gauw maakten een of twee van de elfen aanstalten om weg te gaan en William Butterfield, die graag eens met
hen wilde praten, riep: 'Hee daar!', waarop het hele gezelschap krijsend van schrik als een zwerm vogels opvloog en spoorloos verdween.

De theosofie beschouwt het elfenrijk als een deel van een meestal verborgen, onstoffelijke wereld, die naast onze stoffelijke wereld bestaat. Volgens de theosofen is het de taak van de elfen het PRANA, de levenskracht van de zon, te absorberen en door te geven aan de stoffelijke wereld. In die zin zijn bloemenelfen de echte natuurgeesten, omdat zij de essentiŽle schakel vormen tussen de zonneŽnergie en de mineralen in de bodem. Bepaalde elfen zijn zo verantwoordelijk voor de structuur en de kleur van bloemen, anderen werken onder de grond bij de wortels. Weer anderen zorgen voor de celgroei en dan zijn er elfensoorten die helpen bij de ontwikkeling van het minerale, plantaardige en dierlijke koninkrijk.

Het elfenlichaam is gevormd uit de meest verfijnde materie. Wanneer elfen onzichtbaar zijn, bevinden zij zich in een ETHERISCHE toestand (bijna ijler dan gas), en zijn ze onzichtbaar dan heeft hun gestalte een ASTRALE vorm aangenomen (dat wil zeggen nog verfijnden dan het etherische niveau). Ze kunnen van die toestanden wisselen naar het hun uitkomt, maar in astrale staat zijn ze alleen zichtbaar voor helderzienden. De materie van hun vorm is zo vloeibaar en gevoelig, dat deze gemodelleerd kan worden door vluchtige zaken als gedachten of gevoelens. Hun gebruikelijke staat is die van een pulserende lichtbol met een heldere kern, maar als die zich condenseert en ze zich materialiseren tot het etherische niveau, dan gebruiken ze vaak een collectief bewustzijn als blauwdruk voor hun vorm. Hun gestalte wordt - dan bepaald door nagebootste elementen van planten of dieren, of door het aannemen van traditionele vormen; ook onderscheppen ze wel onderbewuste menselijke gedachtenpatronen. In zijn uiterlijk zal een elf dus dikwijls ons vooroordeel over hem weerspiegelen. Vandaar dat er een grote verscheidenheid van elfengestalten is, maar dat deze in het algemeen gebaseerd zijn op een verkleining van de mens, met gewoonlijk de een of andere misvorming of overdrijving met betrekking tot gelaatstrekken of ledematen. Gezien het etherische wezen van een elf, kan deze naar believen van afmeting veranderen, maar is een elf van nature klein, dan kost het hem veel inspanning om voor langere tijd een groter volume aan te nemen. Wil hij een nieuwe gedaante aannemen, dan moet hij zich deze scherp voor ogen houden en stevig in zijn geheugen prenten, want zodra zijn concentratie afneemt, vervalt hij in zijn normale gedaante. De energie die in een elfenlichaam is samengebald, vindt vaak zijn uitdrukking in wuivende lokken of gespreide vleugels in prachtige, steeds wisselende kleuren. Vleugels die evenwel niet dienen om te vliegen, want elfen kunnen ook zonder deze naar believen lucht en materie doorklieven.