

Ik
wil allereerst stellen dat het ideaal educatief programma niet bestaat.
Elk programma, hoe goed het ook is, kan steeds beter (worden).
Het is op zich niet slecht om de lat heel hoog te leggen, maar ik heb
meermaals ervaren dat collega’s de lat van mijn programma’s steeds hoger
willen leggen, terwijl ze niet beseffen dat ze er zelf niet kunnen overspringen
(een doordenkertje…)
Een
goed educatief programma moet toch aan enkele voorwaarden voldoen:
Het
programma moet één of meerdere educatieve
doelen aanbieden op een leuke, speelse manier. Dit doel moet terug te vinden zijn in het leerplan of de
eindtermen. Een leerkracht die de
computer gebruikt zonder de samenhang te zien met andere lessen is verkeerd
bezig. De computer mag geen
goedkope kinderopvang zijn, waarmee je de kinderen bezig houdt.
Het
programma moet prikkelend werken, voldoende variatie bieden zodat
de kinderen er niet vlug op uitgekeken raken.
Kinderen lossen graag problemen op, maar dan wel problemen die haalbaar
zijn. Zo zijn er heel wat
programma’s waarbij het kind de sleutel moet vinden om tot de oplossing te
komen. Is het probleem eenmaal
opgelost dan is zo’n programma afgeschreven.
Soms is het probleem te moeilijk voor het kind met hetzelfde resultaat
tot gevolg. De kunst bestaat erin
een programma te vinden, waarbij het kind weet dat het op zijn tenen moet staan
om het probleem op te lossen. Heeft
het eenmaal de juiste stap gezet, dan komt het andere problemen waarvan het kind
weet, dat het ook deze kan oplossen.
In
het programma moeten verschillende moeilijkheidsgraden
kunnen worden ingesteld. Dit vloeit
voort uit de vorige voorwaarde. Ik
vind het ook belangrijk dat kinderen zelf eventueel hun niveau kunnen kiezen.
Het is als volwassene niet altijd zo eenvoudig om in te schatten wat een
kind aankan of niet. Jammer genoeg
zijn de instelschermen van educatieve programma’s vaak bedoeld voor de ouder
of leerkracht.
Bij
een foutief antwoord moet er voldoende feedback
zijn. Niet alleen moet het kind
weten dat het antwoord goed of fout is, daarnaast moet er hulp worden aangeboden
om de goede oplossing te vinden. Ik
ken programma’s waarbij een programma blijft zeggen “fout” wanneer een
kind een aangeboden probleem niet kan oplossen.
Heel frustrerend, ook al maakt het programma zich niet kwaad, maar als je
10 keer “fout” hoort, dan geef je er ook de brui aan.
Ik vind dat het programma na een aantal foutieve antwoorden, dan maar
zelf het goede antwoord moet geven. Beter
is dat het programma instructies geeft om tot de goede oplossing te komen.
Onderwijzen is toch “wijzen” naar een oplossingsstrategie, zonder het
goede antwoord te geven.
Als
opvoeder is het belangrijk om achteraf een stand van zaken op te vragen.
Daarom is het nodig om een rapport
te krijgen van elk kind: wat heeft het gedaan? welke fouten heeft het gemaakt?
Hoeveel tijd was het bezig? Zo kan
de opvoeder eventueel zelf ook hulp bieden.
Het is belangrijk dat het kind weet dat het gevolgd kan worden, dat zijn
activiteit aan de computer geregistreerd wordt.
Wel oppassen dat het kind er achteraf geen faalangst aan over houdt.