NA DE OORLOG

De tweede Wereldoorlog resulteerde in het grootste onbedoelde huizensloopproject dat de wereld ooit had meegemaakt.

Hele steden waren vernietigd en ontelbare historische gebouwen verloren gegaan. In het naoorlogse Duitsland stonden nog 2,3 miljoen woningen overeind op een totaal van 10,5 miljoen huizen die waren verwoest en beschadigd. In Frankrijk was 5 procent van het totaal aantal gebouwen in 1939 vernield. Van de andere gebieden ontsnapten alleen de Verenigde Staten en de door Duitsland bezette Scandinavische landen aan grote schade. Al deze verwoestingen resulteerden in een acute woningnood. Soldaten, vluchtelingen en ex- oorlogsgevangenen vonden thuis geen huizen, maar puin. Bovendien waren de industriële centra die de oorlog hadden doorstaan, overgegaan op wapenproductie en dus in eerste instantie niet geschikt voor vreedzame productie-doeleinden. Toch geloofden de mensen er heilig in dat ze een nieuwe wereld konden opbouwen op de puinhopen van de oorlog

De verwoestingen brachten sociale en architectonische mogelijkheden als nooit te voren. Helaas wilden de overheden zo snel herbouwen, zodat veel mogelijkheden onbenut werden gelaten en woningen van minimum kwaliteit willekeurig neergezet, werden. De goed doordachte plannen met kwaliteitswoningen, die meer tijd zouden hebben gekost om te realiseren maar duurzamer waren geweest, werden niet uitgevoerd.

In de Verenigde Staten leidde deze bouwexplosie tot uitgestrekte gebieden met geprefabriceerde woningen, zoals Levittown op Long Island. Deze woonwijk met 17.500 woningen was ontwikkeld door William Levitt; hij gaf de start tot de woningbouw met geprefabriceerde onderdelen die ter plekke werden gemonteerd. De methode werkte zo snel dat men 35 woningen per dag kon bouwen. Deze goedkope en eenvoudige manier van bouwen vervulde de Amerikaanse droom van een huis voor iedereen. Een droom die werd verwezenlijkt met grote overheidssubsidies voor potentiële kopers. Helaas waren er slechts vier of vijf basisstijlen met als resultaat dat de individualiteit verdween en een buitenwijk in Californie niet te onderscheiden was van die in Massachusetts.

'Tract'-woningbouw, VS jaren vijftig.

In de hele wereld leidde het toenemende gebruik van de auto, samen met de opkomst van geautomatiseerde industrieën, die meer ruimte nodig hadden, tot nieuwe trends in stadsplanning. Mensen verhuisden uit de steden naar de immer groeiende buitenwijken en hun oude woningen werden vervangen door kantoorgebouwen. Dit betekende dat bepaalde gebieden van belangrijke steden overdag heel druk waren, maar 's avonds en in het weekend verlaten en dat de steden steeds vaker doorkruist werden door snelwegen, vaak dwars door historische wijken, zonder dat er rekening werd gehouden met de bestaande bebouwing. Het belang van de auto leidde tot extremen bij de planning van nieuwe steden. Voorbeeld hiervan is Brasilia, de hoofdstad van Brazilië, die geheel rond de eisen van de auto ontworpen werd. In Brasilia gaat men ervan uit dat iedereen rijdt en niet loopt.

Le Corbusier, La Ville Radieuze, 1935.

In het algemeen gingen steden in de jaren vijftig en zestig steeds meer lijken op sommige van Le Corbusiers totalitaire visies van hoogbouw, zoals hij had laten zien in studies als La Ville Radieuse in 1930. Het idee om wonen en werken te scheiden en alle woonruimte uit de binnenstad te verwijderen, samen met de naoorlogse bevolkingsexplosie, resulteerde in vele plannen voor nieuwe steden en 'projecten'.

Britse ontwerpers voorzagen in de vraag naar woningen door, vooral in het zuiden, twaalf nieuwe steden (New Towns) te bouwen, waarvan acht rondom Londen. Hier lieten de ontwerpers de strikt rationele regels voor stedenbouw los, die naar Amerikaans voorbeeld gericht waren op een rechthoekig stratenplan. In plaats daarvan ontwierpen ze vrijere en vloeiender patronen, waarbij de wegen op een 'natuurlijke' manier in bochten mochten lopen. Hun streven was ontplooiing en niet uniformiteit.

Een belangrijke invloed in deze periode was het Modernisme (het Constructivisme, De stijl, het Bauhaus en het Functionalisme en de andere gelijkaardige stijlen samen). Deze beweging was tot dan toe maar bij een klein groepje mensen aangeslagen, maar werd nu algemeen geaccepteerd, in het bijzonder door overheden die het als een goedkope en eenvoudige oplossing zagen voor hun beperkte financiële middelen. Een van de invloedrijkste exponenten van de vooroorlogse Moderne Beweging, Le Corbusier, kreeg opdracht voor het ontwerpen van een groot woning-bouwproject. Zijn Unité d' Habitation in Marseille (1946 1952) was een woonblok dat bestond uit 337 flats, een school, winkels, een wasserette en gemeenschapsruimten. Het betekende een van de belangrijkste realisaties van Le Corbusiers principes. De appartementen, waar 1600 mensen moesten wonen, varieerden van grote gezinseenheden tot eenvoudige eenkamerflats. Het project en vooral zijn gebruik van ruw beton (Le Corbusiers favoriete materiaal), leidde tot uitgebreide controverses maar beïnvloedde toch een hele generatie architecten.

Le corbusier, Unité d' Habitation, Marseille, 1946.

Helaas waren de plannen van zijn volgelingen niet altijd even doordacht als die van Le Corbusier zelf. Dit had tot gevolg dat de Moderne Beweging faalde op het gebied dat het belangrijkst was voor politici, ontwerpers en architecten: de massa-woningbouw. De voorkeur voor onpersoonlijke hoogbouw bracht de beweging in diskrediet bij het publiek en architecten werden voor velen boemannen.

Een falend experiment.

Aan het begin van de jaren zeventig bliezen de overheden de hoogbouw op, waarmee ze eerder dachten alle problemen rond de volkshuisvesting op te kunnen lossen.

Projecten als Roehampton Estate in Londen, Park Hill in Sheffield en de Bijlmermeer in Amsterdam waren ondanks eerdere lof niet populair bij de mensen die er woonden. Ze voelden zich geïsoleerd en bedreigd in hun flats. De schaal van deze projecten werd als intimiderend ervaren en in het bijzonder door mensen die gewend waren aan de kleine eengezinswoningen. De binnenstraten die waren bedoeld als ontmoetingsplaatsen en de oude tuintjes als roddelplaatsen moesten vervangen, werden al snel ervaren als tochtige en desolate gangen die door iedereen werden gemeden, behalve door drugsgebruikers. Geleidelijk begon het tij te keren tegen de massale woningbouwprojecten en de hoogbouw. Daarmee kwam snel een eind aan ons architectonisch en cultureel zelfvertrouwen.

Gebeurtenissen als het gedeeltelijk ineenstorten van het flatgebouw Ronan Point in Londen in 1968, na een gasexplosie, zette zich vast in het geheugen van het publiek en geleidelijk in dat van de autoriteiten. Deze laatsten, die eerder zo nodig hoogbouw hadden willen realiseren, gingen nu over tot het slopen van diezelfde gebouwen, vaak voordat ze zelfs helemaal waren afbetaald.

Een alternatief voor de onpopulaire grootschalige woonwijken was de renovatie van bestaande woningen. Dit was een goede oplossing voor steden als New York, waar de West Side vol stond met slechte, zogeheten 'brown-stone'-huizen. Een voordeel van renovatie was bovendien dat gemeenschappen niet uit elkaar werden gerukt of naar een andere plaats moesten verhuizen en dat met de bewoners overlegd kon worden over hun wensen en behoeften. Deze 'gemeenschaps' architectuur gaf de mensen bovendien de mogelijkheid direct invloed uit te oefenen op hun leefomgeving.

Hoewel sommige wijken 10.000 inwoners telden, informeerden de architecten naar de meningen van de toekomstige bewoners en hun kantoor dat op de bouwplaats stond, werd vaak een soort sociaal centrum. Het resultaat is een laagbouwproject waarin verrouwde herkenningspunten als kerken en cafés behouden bleven; ook werden winkels en kantoren tussen de woningen gebouwd, zodat een normale en traditionele vorm van wonen ontstond. Er werd meer variatie toegepast en de ontwerpers hielde rekening met de algehele kwaliteit van leven, er was ook plaats voor vrije tijd en ontspanning.

De afgelopen dertig jaar zijn er zeer uiteenlopende visies geweest op het bouwen voor de massa. Sinds de grote en onmenselijke hoogbouw uit de jaren vijftig en vroege jaren zestig, is het nu mode om kleinere, lagere en meer gevarieerde woningen te bouwen, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke eisen van het gezin en de gemeenschap. Men realiseerde zich nu dat het niet voldoende is mensen slechts te voorzien van een droog en warm huis. Er moet meer zijn, zodat de bewoners zich veilig voelen en deel van de gemeenschap. Isolement is uit, kwaliteit van het bestaan is de nieuwe stelregel.

In de twee decennia na de oorlog vond er ook een ongekende explosie plaats in de bouw van openbare gebouwen voor scholing, cultuur en recreatie. Met de wederopbouw van de verwoeste steden, manifesteerde de herleefde burgerlijke trots zich door middel van deze nieuwe kathedralen van cultuur als een brandpunt van architectonische activiteit.

Er ontstond een enorme groei van het aantal universiteitsgebouwen, vooral in Groot-Brittannië, waar het aantal universiteiten meer dan verdubbelde toen de overheid niet achter wilde blijven bij het onderwijs in andere westerse landen.

Galeries, concertzalen, opera's en theaters rezen als paddestoelen uit de grond, vooral in het welvarende Amerika en in mindere mate in Europa.

Het Modernisme, van weinig belang voor en onderdrukt tijdens de oorlog, word nu de hoofdstroming in de architectuur. Le Corbusier's Unite d' Habitation uit 1947 in Marseile, hoewel een wooncomplex, zou de bron worden voor een nieuwe esthetiek, die word toegepast bij veel openbare gebouwen in de jaren vijftig en zestig. De muren van de Unité waren van ruw beton dat de structuur liet zien van de bekisting die werd gebruikt voor het starten. Critici gebruikten het woord 'brutalistisch' om de expressieve kwaliteiten van het materiaal en Le Corbusiers gebruik ervan te omschrijven.

Het Brutalisme werd haast synoniem voor het gebruik van enorme platen beton, zoals bij het kunstcentrum South Bank in Londen en het winkelcentrum in Cumbernauld, een New Town in de buurt van Glasgow, eens gezien als een mooie nieuwe wereld en nu verlaten.

James Stirling, Engineering building, universiteit van Leicester, 1959.

James Stirling werd ook een aanhanger van het Brutalisme. Hij gebruikte glas in plaats van beton als voornaamste expressieve materiaal voor zijn Technische Faculteit van de universiteit van Leicester (1959) en zijn bibliotheek van de Geschiedenisfaculteit in Cambridge (1964). Helaas maakt het 'broeikaseffect' in bepaalde delen van beide gebouwen het voor de studenten niet makkelijk om er te studeren.

In de meeste Europese landen had men de handen vol aan het opruimen van de gebombardeerde gebieden en het bouwen van goedkope woningen. Het is niet verwonderlijk dat veel interessante openbare architectuur in de jaren kort na de oorlog dan ook aan de andere kant van de oceaan verscheen. Een van de belangrijkste naoorlogse projecten in de VS was Frank Lloyd Wrights Guggenheim Museum in New York. De eerste schetsen werden in 1943 gemaakt en men begon met de bouw in 1945, maar het museum was pas 14 jaar later gereed.

Frank Lloyd Wright, Guugenheim museum, New York, 1943.

Frank Lloyd Wright, Guugenheim museum, New York, 1943. Binnen zicht.

Het uiteindelijke gebouw, hoewel afwijkend van het originele ontwerp, was revolutionair voor een museum. In plaats van de muren waaraan de schilderijen kwamen te hangen te rangschikken langs een rechthoekig interieur, ontwierp Wright een volkomen originele ruimte, een omhoog wentelende spiraal die naarmate hij hoger kwam, steeds breder werd.

Tussen 1947 en 1948 leverde de Finse architect Alvar Aalto zijn enige bijdrage aan de naoorlogse Amerikaanse architectuur, het Baker House voor het Massachusetts Institute of Technology. In zijn naoorlogse werk in Finland had Aalto een originele stijl ontwikkeld, gekenmerkt door gebogen muren, schuine daken en traditionele materialen als baksteen en hout.

Baker House onderscheidde zich door de lange diagonale trappen die, met de ruimte erboven, uit de hoofdmuur van het gebouw leken te springen. Het had ook een golvende gevel, die de loop van de verderop gelegen rivier volgde.

De benadering van een andere belangrijke architect in die tijd, Eero Saarinen, was gericht op de plastische eigenschappen van beton en kwam enigszins overeen met het Duitse Expressionisme. Saarinen ontwierp gebouwen met grote, dramatisch gebogen dakoverspanningen, zoals het hockeystadion van Yale uit 1958 of de TWA-terminal op Kennedy Airport uit het volgende jaar.

Jorn Utzon, operagebouw, Sidney,1956.

Een derde Scandinavische architect, Jorn Utzon, bouwde in dezelfde tijd als Aalto en Saarinen. Utzon won in 1956 de prijsvraag met zijn ontwerp voor een operagebouw in de Australische stad Sydney. Het is een goed voorbeeld van hoe burgerlijke trots uitgedrukt kan worden in een enkel gebouw. De opera is gebouwd op een klip in de haven van Sydney en heeft een dak dat bestaat uit enorme betonnen structuren in de vorm van een zeil, maar puur om het effect toegepast en niet om functionele redenen.

Een ander meer brutalistisch gebruik van beton zag men in de VS voor het eerst met het Carpenter Centrum voor Beeldende Kunst in Harvard van Le Corbusier ut 1960. In het Carpenter Centrum, het enige gebouw van Le Corbusier in de VS dat is voltooid gebruikte hij veel van zijn standaard-motieven, zoals een betonnen rasterskelet en brise soleis (schaduwvormende elementen). Het licht enigszins ongemakkelijk naast de overheersende roodstenen gebouwen op Harvard.

Le Corbusier, Carpenter Centrum voor Beeldende Kunst, Harvard, 1960.

Hoewel de welvaart in de Verenigde Staten het mogelijk maakte dat daar enkele van de belangrijkste gebouwen in de nieuwe architectuur gerealiseerd werden, verschenen in Europa ook een aantal innovatieve gebouwen. Aalto, een van de vruchtbaarste architecten in deze periode, ontwierp in zijn geboorteland Finland verschillende stedelijke nederzettingen, waarbij hij materialen gebruikte variërend van wit marmer tot hout. Ze onderscheidden zich door het natuurlijke gebruik van licht en hun zorgvuldige bouwplan.

In Groot-Brittannië was de constructie van de nieuwe 'red-brick' universiteiten in de jaren zestig de belangrijkste ontwikkeling. Een serie universiteiten die bekend stand als de Shakespearean Seven (Sussex, East Anglia, York, Lancaster, Essex, Warwick en Kent) werden alle gebouwd in de vier jaar tussen 1961 en 1965. Ze werden gekarakteriseerd door hun ligging in een parkachtige omgeving op enige afstand van de stad. Dit werd later een punt van controverse toen men zich realiseerde dat de studenten op die manier geïsoleerd waren van het stedelijk leven. Hoewel geheel anders dan wat hiervoor was gebouwd, droegen de nieuwe universiteiten toch nog sporen van hun middeleeuwse voorgangers, zoals ommuurde binnenplaatsen. Bovendien waren ze in het algemeen nogal monumentaal van karakter.

Het Modernisme verspreidde zich verder dan ooit in de naoorlogse periode. In Japan ontstond een inheemse traditie die internationaal erkenning kreeg. Kunio Mayekewa, een van de vele Japanse architecten die bij Le Corbusier werkten, bouwde concertzalen in Tokio en Kyoto in 1960 en 1961, die met hun zware betonnen elementen neoklassieke invloeden verraden.

Kenze Tange is bekend door de twee stadions die hij bouwde voor de olympische Spelen in Tokio in 1964 en het opwindende gebruik van elliptische betonnen dakoverspanningen.

Het Modernisme kwam naar het Indiase subcontinent in de vorm van de belangrijke opdracht voor Le Corbusier om in Chandigarh een nieuwe hoofdstad voor de Punjab te ontwerpen en enige woningen in Ahmedabad te bouwen. Het indruk-wekkendste gebouw in Chandigarh is het Hooggerechtshof, een rijke compositie van roosters en kolommen, omsloten door een rechthoekige doos, weerspiegeld in twee goed geproportioneerde vijvers, die werden gescheiden door een dam. Volgens sommigen is in Chandigarh monumentaliteit bereikt buiten de westerse traditie om.

Le Corbusier, hooggerechtshof, Chandigarh.