De stijl

In Nederland had zich in 1917 de 'stijl'-groep geformeerd die het als haar taak zag een 'nieuw tijdsbewustzijn ' te scheppen die het 'individuele' moest vervangen door het 'universele'. Dit was voornamelijk een reactie op de Amsterdamse School. In de schilderkunst betekende dat de rigoureuze afwijzing van elke illusionistische weergave. Natuur was het te stoffelijk, te individueel. De 'universele' kunst liet alleen de abstracte compositie toe als 'balans van positie en proportie van de verf'. De schilderijen van Piet Mondriaan, de belangrijkste schilder van de groep, waren gereduceerd tot rechte zwarte lijnen in een rechthoekig patroon, verbonden met de primaire kleuren rood, blauw en geel, Bijgestaan door veel wit en een beetje grijs.

Het thema van De Stijl-architecten was de doordachte verdeling van ongelijke massa's in een anti-kubusvormig systeem dat de gesloten contourlijnen van de volumetrische lichamen openbreekt. Jacobus Johannes Pieter Oud, stadsarchitect van Rotterdam en medeoprichter van De Stijl, beschreef in 1918 de rol die Frank Lloyd Wright met diens ideeën voor de 'vernietiging van het blok' speelde. "Wright heeft de grondslagen gelegd voor een nieuwe plasticiteit in de architectuur. De massa's schieten in alle richtingen, naar voren, naar achteren, naar rechts, naar links... Op die manier zal de moderne architectuur zich ontwikkelen in een proces van reductie op positieve proporties, te vergelijken met de moderne schilderkunst."

Een van de weinige consequent volgens deze uitgangspunten gerealiseerde gebouwen is het Schröder-huis in Utrecht. Het werd ontworpen door Gerrit Rietveld die in 1918 bij de groep kwam. De basisvorm is een rechthoekig blok, waarvan de vlakken door horizontaal uitstekende platen en verticale wandpanelen, balustradepanelen en stijlen, 'ontleed' worden. De door Mondriaan tot dogma verheven rechthoek heerst tot in het detail, bijvoorbeeld bij de naar buiten openslaande ramen die maar in één positie open kunnen, namelijk precies in een hoek van 90 graden ten opzichte van de gevel. De kleuren, waarin het huis geverfd is, zijn die van Mondriaans schilderijen. Alle lineaire elementen zijn rood, blauw of geel; de vlakken wit of grijs.


De compositie met rood, geel en blauw van Piet Mondriaan is gebaseerd op de idee dat een schilderij uitsluitend mag bestaan uit platte vlakken, rechte lijnen, primaire kleuren en zwart, wit en grijs. Deze opvatting vormde de basis van het neo-plasticisme: een geometrisch abstracte stijl die door Mondriaan werd ontworpen.

De grote populariteit die De Stijl binnen enkele jaren bereikte, was vooral de verdienste van de schilder en architect Theo van Doesburg, de spiritus rector, organisator en voortdurende motor van de groep. Hij verzorgde haar tijdschrift, zorgde voor tentoonstellingsmogelijkheden en reisde met zijn programma van lezingen dwars door Europa. Zo was hij een van de initiatiefnemers van de belangrijke overzichtstentoonstelling van 1923 in de Parijse avant-gardegalerie 'L'Effort Moderne', waar naast projecten van De Stijl ook werk van Mies van der Rohe te zien was. In hetzelfde jaar werden ook de contacten met de Russische avant-garde verstevigd, toen de kunstaar-architect El Lissitzky tot de groep toetrad. Een regelrechte 'belegering' van het Bauhaus in Weimar in 1922 door Van DoesBurg die het wilde zuiveren van de 'expressionistische verwildering', mislukte jammerlijk. Voor Adolf Loos die experimenten aan de tekentafel afwees, stonden niet abstracte, formalistische principes op de voorgrond, maar menselijke proporties en behoeften. Daaromheen wilde hij de ruimten ontwerpen. Hij construeerde de volgorde van kamers niet zoals gebruikelijk op het horizontale vlak, maar op verschillende niveaus. Het starre schema van etages beschouwde hij als een te nauw korset. Een van zijn belangrijkste ideeën over de 'ruimteplanning was de variatie in de hoogte van de ruimten. Hij "loste de plattegrond op in de ruimte" zoals hij het zelf formuleerde. Lage, intieme 'nissen' corresponderen via 'neutrale' tussenniveaus met een open hal. De ontsluiting van de woonetages is vaak tamelijk gecompliceerd en niet altijd even gelukkig. Om de zogenoemde 'kleine hal' in huize Moller te kunnen bereiken, moet men zich minstens één maal om de eigen as gedraaid hebben en is men daarbij weilicht hoed en jas kwijtgeraakt. Maar tot dan heeft men behalve het nauwe portaal achter de toegangsdeur en de gesloten wanden van het trappenhuis niet veel gezien, omdat het centrale deel van het gebouw slechts via de gang langs de personeelswoning, de dienstruimten en de garages bereikt kan worden. Met de streng kubusvormige, symmetrische omhulsels die hij zijn huizen oplegde, veroorzaakte hij weliswaar niet onvermijdelijk maar wel duidelijk een tegenstelling tussen de binnen en de buitenkant. Toch wist hij met maar een gering aantal gerealiseerde woonhuizen de beperkingen zichtbaar te maken waarmee zijn tijdgenoten in hun ontwerpen nog worstelden.


J.J.P. Oud, café 'De Unie, Rotterdam, 1924.

Oud ontwierp alleen de gevel van het gebouw. Ingeklemd tussen twee grote historiserende gebouwen was deze gevel een provocatie. En dat was ook de bedoeling: een aanpassing aan de huizen ernaast was niet gepland.

home