Het Constructivisme

De Russische revolutie van 1917 zette niet alleen de bestaande politieke en sociale structuren aan de kant en schafte privé-bezit af (1918), ook de bestaande architectuur werd door het nieuwe regime herzien. Een dergelijke politieke omwenteling schreeuwt om utopische oplossingen en kunstenaars en architecten richten zich op abstractie, mechanisering en in het bijzonder op het werk van de constructivisten bij het zoeken naar een geschikte wijze om zich uit te drukken.

Het Constructivisme had een onbeperkte fascinatie voor de schier onbegrensde mogelijkheden die de nieuwe bouw-technieken de architecten boden. Van belang waren verder de invloed van het kubisme en het door Kazimir Malevitsj gestichte Suprematisme. Deze laatste ging om het loslaten van het tweedimensionale ten gunste van het driedimensionale denken in de schilderkunst en om de daaruit voortvloeiende evolutie tot een "kunst van ruimtelijke, constructieve beelding".

Essentieel voor het overslaan van het constructivisme naar het gebied van de architectuur was de multi-kunstenaar El Lissitzky, die in de jaren twintig ook geruime tijd in Duitsland werkte, in 1922 mede de eerste Russische kunst-tentoonstelling in Berlijn organiseerde en verder bijdroeg tot de invloed van het Constructivisme op vooral de Stijl en het Bauhaus.

Toegepast op de bouwkunst betekenden de principes van het Constructivisme dat men de ruimtelijke vormgeving opvatte als ruimte penetratie en de schuin of steil in de lucht omhoog stekende bouwwerken als contrast van opeengestapelde of aaneengeregen vormen. De gebouwen worden terug-gebracht tot basisvormen en primaire kleuren en hun gedaante is een directe afgeleide van de constructie, die door grootschalige beglazing openlijk getoond wordt.

Het project van Vladimir Tatlin (1885-1953) voor een monument voor de Derde Internationale (1919) was een dynamisch ontwerp voor de staatsvergaderzalen. De zalen bevonden zich in een kubus, een piramide en een cilinder (alle draaibaar), die waren opgehangen in een reusachtige spiraal van bijna 300 m hoog. Het project mag fantastisch overkomen en zijn ingebed in politieke ideologie in plaats van in de werkelijkheid, het toont wel een fundamentele 'vrije' interpretatie van architectuur, die meer verbonden is met machines en de structuur van het kermisterrein dan met klassieke stijlen.


Vladimir Tatlin: schets van het monument voor De Derde Internationale 1919.

Even fantastisch was het ontwerp voor een Lenin tribune van El Lissitzky (1890-1941) in de vroege jaren twintig. Zulke structuren als die van Lissitzky en Tatlin hadden echter meer theoretische dan praktische betekenis en de weinige architectuur die toen werd gerealiseerd, was (weinig verbazing-wekkend) in wezen nog conservatief.


El Lissitzky: spreekgestoelte voor Lenin (ontwerp 1920-1924), een samenraapsel van stalen balken dat schuin boven de hoofden van de te agiteren massa zou uitspringen.

Andere ontwerpen, minder fantastisch maar ook niet gebouwd, waren die van de gebroeders Vesnin voor het Paleis van de Arbeid (1923) en het Pravda-gebouw (1924), beide in Moskou. Deze ontwerpen bestonden uit geometrische blokken, met streng traliewerk aan de buitenkant, maar verluchtigd door antennes en draden als waren het enorme radiotoestellen.

Het bewijs dat avant-gardistische ideeën begonnen door te dringen, kwam met het ontwerp van Konstantin Melnikov voor het paviljoen van de Sovjetunie op de Exposition des Arts Décorafifs in 1925. Melnikov (1890-1974) was lid van het Genootschap van Nieuwe Architecten (ASNOVA) en zijn paviljoen was een

krachtig statement te midden van de Art-Deco paviljoens van de tentoonstelling. Melnikov werd bij zijn werk geïnspireerd door fabrieksgebouwen, met veel glas en draagbalkachtige constructies.


Konstantin Melnikov, Sovjet-paviljoen op de 'Exposition Internationale des Arts Décoratifs et Industriels Modernes' in Parijs, 1925.

Als lid van de ASNOVA geloofde Melnikov dat architectuur zeer belangrijk was voor de Sovjet-Unie en dat de uitdrukking ervan op de een of andere manier het systeem moest bevestigen en ondersteunen. Niet alle Russische architecten hadden dezelfde mening. De Associatie van Hedendaagse Architecten (OSA), waarvan Moisei Ginzburg en de gebroeders Vesnin lid waren, bekritiseerden een dergelijke idealistische leer, omdat die te weinig oog had voor praktische overwegingen. (De OSA hield zich bezig met de basisproblemen van gezins-huisvesting, in het bijzonder met gemeenschapsprojecten.)


Konstantin Melnikov, arbeidersclub Roesakov, Moskou, 1928.

De reusachtige blokken die uit de gevel steken, bevatten de bovenste zitplaatsen van het auditorium. De schikking van de massieven blokken weerspiegeld een interesse in de constructivistische abstracte schilderkunst van die tijd.

home