Art Nouveau



Art Nouveau en Jugendstil
Victor Horta
Henri Clemens van de Velde
Hector Guimard
Antoni Gaudí
Otto Wagner
Jozef Hoffman
Charles Rennie Mackintosh
De Ondergang



De Art nouveau was op zijn hoogte punt in 1900, de stijl werd actueel rond 1890 en verdween in de gruwelen van de eerste wereldoorlog in 1914. De Art Nouveau besloeg dus maar een korte periode al was het wel de eerste stijl die zich terecht modern mocht noemen en die een volledige vernieuwing bracht in een maatschappij die veel veranderd was op het einde van de 19de eeuw.

De Art Nouveau was een component van de Art Nouveau-beweging die meer was dan een gewone kunststroming. Het was een nieuwe morele en geestelijke oriëntatie, een nieuwe wijze van denken en leven. Het 19de-eeuwse denken aanvaarde niet langer de toen heersende samen-levingsvorm en beoogde de totale bevrijding van de mens: bevrijding op sociaal, filosofisch en cultureel gebied. De arbeidersgezinnen, mannen, vrouwen en jonge kinderen werden in mijnen en fabrieken op mensonwaardige wijze uitge-buit. Kerk en maatschappij bekommerden zich doorgaans weinig om de erbarmelijke toestand waarin de lagere bevolkings-klassen leefden. Het uitgebuite volk streefde naar een sociaal-economische herstructurering en werd hierbij door de progressieve intelligentsia uit de bourgeoisie geruggensteund. De onaanvaardbare sociale en morele ellende leidde tot een verval van de geloofsovertuiging. Men meende deze te kunnen vervangen door het proletariaat een interesse voor kunst en cultuur bij te brengen.

Meest typerend voor de stijl zijn de organische motieven, de vloeiende lijnen, het glas in lood, de vrouwelijke naaktfiguren, het gebruik van nieuwe materialen (metaal, glas en beton) en de invloeden van de Japanse kunst.

De naam is afgeleid van de kunsthandel van Samuel Bing (1838-1905), Maison Bing, L’Art Nouveau, die in 1895 in Parijs in de rue de provence geopend werd. Bing verzamelde er alles wat zich tot dan toe had afgezet tegen de overheersende artistieke smaak. De galerie moest er onderdak bieden aan de 'nieuwe en jonge' kunstenaars in Parijs.

Het Art Nouveau-idee kreeg echter kritiek: "Men had medelijden met Bing. Hij werd als slachtoffer beschouwd van een achterbakse aanval van revolutionaire kunstenaars die zijn naïviteit wisten uit te buiten. " , Las men in de Franse pers.

Bing was voortdurend op zoek naar nieuw talent en nieuwe kunstvormen zowel op het domein der Schone Kunsten als op dat der Toegepaste kunsten. Zijn ‘Art Nouveau’-galerij bood aan alle belangrijke exponenten van de nieuwe kunststroming, de gelegenheid om hun producties tentoon te stellen. Spoedig werd alles wat zich in de kunst in een nieuwe, moderne vormentaal uitdrukte als ‘Art Nouveau’ bestempeld.

De Art Nouveau is een ingewikkelde internationale kunststroming die zich in vele landen op verscheidene domeinen en onder diverse benamingen, binnen een beperkte periode heeft gemanifesteerd. Ideeën en vormentaal verschillen van land tot land, van kunstenaar tot kunstenaar. Daarom valt het ook moeilijk deze kunststijl precies te bepalen.

Ook het Duitse ‘Jugendstil’ is een internationaal gangbare term. Het gaat hier niet om een eenvoudige vertaling van Art Nouveau maar om een spontane, later ontstane benaming, die oorspronkelijk als spotnaam gebruikt werd. In 1896 publiceerde Georg Hirth in München een satirisch weekblad Jugend (jeugd). Zijn stijl, zowel als zijn nieuwe en originele illustraties en drukvormen wekten de belangstelling. Weldra zag men een verband tussen de stijl van deze publicatie en alle nieuwigheden die zich toen op kunstgebied openbaarden. Ook hier leidde de verwarring tot assimilatie en zo werd de benaming Jugendstil geboren.

Terwijl men in Frankrijk en België de voorkeur gaf aan de term 'Art Nouveau' spraken de Engelsen van 'Reform' en de Nederlanders vertaalden de naam letterlijk als ‘Nieuwe Kunst’.


Als het eerste echte voorbeeld van een Art-Nouveau-ontwerp geldt over het algemeen de titelpagina die Arthur Mackmurdo (1851-1942) ontwierp voor zijn boek Wren's City Churches.



Art Nouveau en Jugendstil.

Men onderscheidt twee grote strekkingen: enerzijds de organische lijn, geďnspireerd door de natuur. Dit wil zeggen de asymmetrische lijnvoering van Victor Horta, ook wel als de ‘Frans-Belgische’ Art Nouveau-lijn bestempeld. Hierbij werden gebouwen ontworpen vanuit esthetisch oogpunt met grillig gebogen lijnen, het zweepslagmotief en een veelvuldig gebruik van metaal en glas. Als belangrijkste architecten kennen we: Victor Horta en Henri van de Velde in België, Hector Guimard in Frankrijk en Antoni Gaudí in Spanje.

De andere grote strekking is de geometrische lijn, de meer rationele, abstracte richting van de Oostenrijk-Duitse Jugendstil. De aanhangers van deze stijl ontwierpen vanuit een functioneel oogpunt, het esthetische was ondergeschikt. De lijnvoering is lineair met eenvoudige, sobere en geometrische lijnen. Er worden organische motieven gebruikt voor de details en ook nu wordt er weer metaal en glas gebruikt om het geheel een luchtig effect te geven. Deze richting werd voorgegaan door architecten als Charles Rennie Mackintosh in Schotland, Otto Wagner en Jozef Hofmann in Oostenrijk, Peter Behrens in Duitsland en in De verenigde staten Louis Sullivan.



Victor Horta (1861-1947)

Victor Horta bezocht de academies voor schone kunsten in Gent en Brussel. Zijn architectenloopbaan begon hij bij het bureau van Alphons Balat, dat hij na diens dood overnam. In 1892 keerde Horta het historisme de rug toe. In 1893 werd zijn eerste huis gebouwd: het Tassel-huis in Art Nouveaustijl. Er zouden nog vele huizen in Brussel volgen. In 1912 werd hij hoogleraar aan de Academie voor Schone Kunsten in Brussel (van 1927 tot 1931 was hij er directeur). Na een verblijf in de Verenigde Staten (1916-1918) ging hij zich ook bezighouden met het onderzoek naar nieuwe bouwmaterialen. Horta behoort tot de vernieuwers van de moderne Belgische bouwkunst. Zijn vroegere huizen, met hun ijle ijzerconstructies, vallen op door een royaal gebruik van glas en een lijnmatige ornamentiek, waarbij voor de lijnen de stelen en stengels van planten model stonden en niet, zoals bij andere Jugendstilkunstenaars, de bloemen en de bladeren. Na zijn verblijf in de Verenigde Staten verliet hij de lijnenstijl van de Art Nouveau en greep hij terug op Classicistische elementen, bijvoorbeeld bij het Paleis van Schone Kunsten. Tot zijn voornaamste werken behoren het Tassel-huis, het Solvay-huis, het volkshuis en het Paleis van Schone Kunsten, allen in Brussel.


Victor Horta



Henri Clemens van de Velde (1863-1957)

Henri Clemens van de Velde studeerde aan de academie van Antwerpen en was leerling van Durant in Parijs. In 1885 keerde hij terug naar België en in 1889 werd hij lid van de kunstenaarsgroep Les Vingt in Brussel. Hij maakt kennis met de Engelse kunstnijverheid en de reformbeweging van William Morris. Nadat hij in 1890 lichamelijk en geestelijk ingestort was, besloot hij het schilderen op te geven en zich voortaan met architectuur en kunstnijverheid bezig te houden. In 1896 hielp hij mee bij de inrichting van de galerie 'L'Art Nouveau' van Samuel Bing. De presentatie van zijn meubelen op de kunstnijverheidstentoonstelling in Dresden in 1897 was zo'n groot succes dat hij in de periode 1898-1914 talrijke opdrachten uit Duitsland kreeg. In 1895 zette hij ook in Brussel meubelwerkplaatsen op, het jaar daarop ook in Berlijn. In 1902 werd hij gevraagd de kunstnijverheidsschool in Weimar te organiseren, waarvan hij ook directeur werd. In 1907 richtte hij samen met anderen de Deutscher Werkbund op. Na verblijven in in Zwitserland en Nederland werd hij, na zijn terugkeer naar België, belast met de oprichting van het Hoger Instituut voor Decoratieve Kunsten in Brussel, waarvan hij in 1926 directeur werd. Bovendien kreeg hij een leerstoel aan de universiteit van Gent. Zijn laatste grote opdrachten waren de Belgische paviljoens op de Wereldtentoonstelling van 1937, 1939 en 1940. In 1947 trok hij zich terug in het Zwitserse plaatsje Oberägeri.

Van de Velde speelde een belangrijke rol bij de artistieke vernieuwingen die leidde tot het ontstaan van de Jugendstil en de moderne kunst. Hij streefde naar een eigen moderne uitdrukkingswijze in de architectuur en kunstnijverheid en keerde zich tegen een imitatie van historische stijlen. Een van zijn principes was dat architecten recht moest doen aan zowel het voorwerp als het materiaal. Zijn boek bevatte behalve meubelen, apparaten, boekbanden, grafiek, keramiek, interieurs, bouwwerken en verschillende publicaties. Tot zijn belangrijkste werken behoren zijn eigen huis in Ukkel bij Brussel (1895), het interieur van het Folkwang-museum in Hagen (1900-1902), het Werkbundtheater in Keulen (1914; in 1920 afgebroken), de universiteits bibliotheek in Gent en het Rijksmuseum Kröllr-museum in Otterlo (1936-1954).


Henri Clemens van de Velde.



Hector Guimard (1867-1942)

Hector Guimard, werd vooral bekend met zijn Parijse metro ingangen en een aantal belangrijke huizen. In zijn Castel Béranger uit 1898 worden bloemenmotieven gebruikt die doen denken aan Horta, en het ontwerp volgde inderdaad op een bezoek aan België. In tegenstelling tot Horta werkte Guimard zowel in giet- als in smeedijzer. Hij gebruikte gietijzer als het basismateriaal voor de metro ingang en loketten die hij vanaf 1900 ontwierp. De toegangen waren briljante uitingen van fantasie. Ze bestonden uit een poort waarop het woord 'metropolitain' stond, aan elke kant ondersteund door enorme stelen met bloemvormige lampen erop. Het contrast dat dit werk vaak vormde met de historische gebouwen, riep vele verontwaardigde reacties op. Hoewel hij het bekendst was om zijn ontwerpen voor de Métro, was Guimard's meesterwerk de concertzaal Humbert de Romans uit 1898, die al na zeven jaar werd gesloopt toen Art Nouveau uit de mode raakte. Het glorieuze hoogtepunt van dit gebouw was een gewelfd dak van stalen ribben, die een koepel droegen met gele, gebrandschilderde ramen.


Hector Guimart Ingang van een metrostation, Parijs, 1900.


Hector Guimard, Ingang van een metrostation, Parijs, 1900.


Hector Guimard, Ingang van een metrostation,1900.
De 'metropolitain' werd officieel geopend in 1900. De bloemmotieven voor de ingangen en de kassa's waren samengesteld uit gestandaardiseerde gietijzeren platen, hekwerken, vlonders en bogen. Ze waren slechts in geringe mate aangepast aan de specifieke locatie. Dat stuitte liefhebbers van het bestaande stadsgezicht tegen de borst.



Antoni Gaudí (1852-1926)

Antoni Gaudí vertegenwoordigde Sanje. Hij nam een aparte plaats in binnen de Art Nouveau (in Spanje 'modernismo' geheten), die verschillende nationale en regionale varianten kende. In plaats van genoegen te nemen met de decoratie van vlakken, vatte Gaudí het bouwwerk op als een sculptuur en vormde het volledig plastisch: gevels werden tot poreuze, onrustige vlakken omgetoverd, die er als overgroeide of bewerkte rotswanden uitzagen. Vensters werden spelonken, daken koraalriffen, bedekt met abstracte mozaïeken van terracotta- en glasscherven. In 1883 kreeg de architect opdracht tot de bouw van de in neogotische stijl begonnen kerk La Sagrada Familia in Barcelona voort te zetten. Gaudí deed dit met een geheel eigen opvatting en aanpassing van de Gotiek die hij met Moorse elementen vermengde. Bij zijn dood in 1926 was het werk niet voltooid. Zijn credo was een 'totale', allesomvattende en tegelijk individualistische architectuur. Modern was hij in zoverre dat hij zich van traditionele opvattingen over interieur en exterieur afkeerde en deze beide ophief ten gunste van een zeer originele en goed doordachte nieuwe statica. Niet al te modern was hij in de dikke stenen bekleding van de staalconstructie. Een probleem was ook de steeds intensievere ambachtelijke bewerking van zijn gebouwen die hij tot in het kleinste detail wilde bepalen en waarvoor in luxe-appartementen als Casa Battlo of Casa Milà zelfs de rechte wanden en alle rechte hoeken moesten wijken. Dit kon geen bijdrage aan de oplossing van de nijpende woningnood zijn, een van de belangrijkste opgaven voor de architectuur in de 20ste eeuw.


Antonio Gaudí, La SagradaFamilia, Barcelona


Antonio Gaudí, Casa Batló, Barcelona.
Gaudí ontwierp een nieuwe gevel voor een bestaand huis van de zakenman José Batló. Het resultaat is een gebouw dat er haast organisch uitziet - het is soms moeilijk de ramen te onderscheiden van de bizarre balkons en de rest van de gevel.



Otto Wagner (1841-1918)

Otto Wagner studeerde aan de Technische Hogeschool in Wenen en aan de Koninklijke Bouwacademie in Berlijn. Van 1861 tot 1863 bezocht hij de architectuurschool van de Weense academie, waaraan hij in de periode 1904-1912 ook les gaf. Zijn eerste bouwwerken zijn villa's in de stijl van de Florentijnse Renaissance. In 1893 zwoor hij deze neostijl af en maakte hij zich sterk voor een nieuwe stijl die op de behoeften van de nieuwe tijd was afgestemd, d.w.z. een vormgeving die rekening houdt met de functie, het materiaal en de constructie van het bouwwerk. In zijn boek 'moderne architectuur' (1896) lichtte hij zijn opvattingen toe. Zijn belangrijkste bouwwerken in deze stijl zijn het metrostation op de Weense Karlsplatz (1889-1901) en, eveneens in Wenen, het postspaarbankgebouw (1904-1906). Wagner speelde rond 1900 een grote rol bij de vernieuwingen in de bouwkunst en was een wegbereider van de moderne architectuur. Zijn leerlingen onder wie Joseph Maria Olbrich en Josef Hoffmann, hebben zijn ideeën verder ontwikkeld. Naast zijn werk als architect was Wagner, met name in de tijd van zijn lidmaatschap van de Wienner Sezession (1899-1905), ook werkzaam als ontwerper van kunstnijverheidsproducten.


Otto Wagner, Karlplatz station, Weense Stadtbahn, 1894-1897.



Josef Hoffmann (1870 - 1956)

Josef Hoffmann studeerde bouwkunde bij Karl von Hasenauer en Otto Wagner aan de kunstacademie van Wenen. Hij richtte mede de Wiener Sezession op. Als lid van de Wiener Werkstätte, die hij in 1903 had helpen oprichten en tot 1931 leidde, kreeg hij opdracht voor de nieuwbouw van het sanatorium 'Westend' in Purkersdorf en voor de bouw van Palais Stoclet in Brussel. In 1912 richtte hij de Oostenrijkse Werkbund op. Vanaf 1920 leidde hij de Weense groep binnen de Deutsche Werkbund. Van 1899 tot 1937 doceerde hij aan de kunstnijverheidsschool in wenen. In 1920 werd hij directielid van de dienst ruimtelijke ordening van Wenen

Hoffmann was een toonaangevende Jugendstil-architect en heeft, vooral als lid van de Wiener Werkstätte, de stijl van het kunsthandwerk diepgaand beïnvloed. Hoffmann was dan ook op alle gebieden van de kunstnijverheid actief (meubelen, metaal-, glas- en leerbewerking, sieraden en stoffen). Zijn ornamentiek is gebaseerd op het principe van de herhaling van gelijksoortige elementen, vooral van het strenge vierkant. De afzonderlijke elementen zijn hierdoor verwisselbaar, wat een vernieuwing betekende in de Jugendstil.




Josef Hoffmann, Palais Stoclet, Brussel, 1905-1911.
Stoclet, een rijke bankier, gaf Hoffman opdracht een paleisachtig huis te bouwen dat moest dienen als ruimte voor zijn kunstcollectie en voor ontspanning. Hoffmann ontwierp een stijlvol huis; hij combineerde formele elementen (krachtige verticale en horizontale lijnen) met informele (een onregelmatig grondplan en een gevel die niets verhulde van de onregelmatige indeling van de ruimten binnenin).



Charles Rennie Mackintosh (1858-1928)

Charles Rennie Mackintosh heeft bijna uitsluitend in en rond de stad Glasgow gebouwd, waar hij studeerde aan de kunstacademie en daarna experimenteerde met grafiek en metaalbewerking. De eerste belangrijke opdracht voor Mackintosh kwam in 1896, toen hij de prijsvraag won voor het ontwerpen van een nieuwe kunstacademie voor Glasgow. Op het eerste gezicht vertoont het gebouw, waaraan hij twaalf jaar werkte, weinig overeenkomsten met andere Art Nouveau-gebouwen. De ramen met verticale raamstijlen, de grimmige massieve zijmuren en daktorentjes verraden invloeden die uiteenlopen van de late Engelse Gotiek tot de Schotse kastelen- en zelfs de Barok. Maar de invloed van Horta en Guimard blijkt uit de algemene asymmetrie, het sobere gebruik van elliptische lijnen en het verfijnde ijzerwerk, met name in de decoratief gekrulde roosters voor de atelierramen.

In tegenstelling tot de Belgen en de Fransen gebruikte Mackintosh de gebogen lijnen van de Art Nouveau met grote strengheid en in harmonieus contrast met tralieachtige patronen van horizontale en verticale lijnen. Hoewel gebouwen als Hill House in Helensburgh, de tearooms voor Mrs. Cranston en zijn meubelontwerpen voldoende aandacht kregen, was er meer belangstelling voor hem in Duitsland en Oostenrijk (vooral onder de architecten van de Sezession) dan in Groot-Brittannië. Mackintosh' grootste verdienste was misschien het aangeven van een nieuwe richting, weg van de decoratieve excessen van de Art Nouveau.


Charles Rennie Mackintosh, kunst-academie, Glasgow, 1897-1909



De ondergang.

Redenen van esthetische, financieel-economische en technische aard hebben het rasse verval van de Art Nouveau in de hand gewerkt. De kunststrekkingen rond de eeuwwisseling evolueerden en de nieuwe opvattingen drongen ook door tot op het domein van de architectuur. Een tendens naar grotere eenvoud manifesteerde zich in de Jugendstil. Er was een streven naar meer rationaliteit en minder decoratie in het uiterlijk voorkomen van de architectuur.

Daartegenover besteedde de versierzucht van de navolgers van Horta in Brussel meer aandacht aan het decoratieve aspect van hun Art Nouveau gevels dan aan de nieuwe, revolutionaire conceptie van de binnenhuisindeling. Horta's functionele lijn werd als een gewoon decoratief element misbruikt.

Zo leidde het overdreven ornamentaal karakter van vele pretentieuze gevels uiteindelijk tot misprijzen en verachting van de hele Art Nouveau-architectuur. De Art Nouveau was, in de handen van enkelen, populair geworden en op paradoxale wijze droeg deze populariteit bij tot haar verdwijning. De architecten waren zich tevens bewust van de nieuwe anti decoratieve strekking. Voelden ze dat de creatieve fase van de Art Nouveau als kunstvorm ten einde liep en dat er naar een nieuwe lijnvoering moest worden uitgekeken? Het essentiële in de architectuur, nl. de ruimteopvatting en het functionalisme, werden in meer recente tijden gestandaardiseerd en overgenomen.

De ondergang van de Art Nouveau dient wellicht ook gezocht te worden in het artistiek niveau van de architecten zelf. De namen van enkele belangrijke persoonlijkheden volstaan om onmiddellijk het niveau van die generatie aan te duiden: Horta, Van de Velde, Hector Guimard, Mackintosh, Hoffmann, Behrens, Gaudí: geen enkel creatief gebied viel buiten hun bereik. Zij ontwierpen meubels, huisraad, vazen, ornamentele kunst van de meest diverse aard.

Slechts weinigen voelden zich geroepen of zagen een voldoende afzetgebied voor deze globale architectuuropvatting. Zo werd teruggegrepen naar vroegere vormen die minder creatieve verbeelding vereisten en financieel gunstiger uitvielen. De industrie produceerde, machinaal en tegen lagere kostprijzen, serieproducten die toepassing vonden in de bouw, daar waar de art nouveau een beroep deed op duurdere ambachtelijke producten.

Een art nouveau-constuctie werd als 'totaalkunstwerk' opgevat en was aangepast aan de specifieke noden van de bouwheer. Ieder onderdeel in de constructie, in de meubilering en het decor maakte integraal deel uit van een geheel. Dit had als onontkoombaar gevolg dat dit 'totaalkunstwerk' zijn totale integriteit moest behouden. Het werd dus praktisch onverkoopbaar en ondeelbaar in geval van erfenis. Deze vaststelling, evenals de opkomst van de auto, brachten het potentiële Art Nouveau-cliënteel ertoe grotere terreinen te verwerven buiten de stad. Dit natuurlijk kader liet een grotere bouwvrijheid toe en vereiste geen gevelrijkdom, noch ingenieuze binnenruimteverdelingen, opgelegd door de beperkte stedelijke terreinoppervlakte.

Rekening houdend met de snelle evolutie van de techniek m.b.t. het handwerk, werd de Art Nouveau-architectuur weldra als een anachronistisch verschijnsel beschouwd. De nieuwe materialen, waaronder nu ook beton dat rond de eeuwwisseling meer gebruikt werd, pleitte voor een rationele architectuur die zich aan de nieuwe gegevens aanpaste. Zo droeg ook de nieuwe techniek bij tot het verdwijnen van de Art Nouveau.

Opvallend was de productiviteit van de kleine groep vernieuwers. Waren zij er zich van bij de aanvang van bewust dat zij slechts een overgangsstijl beoefenden, waaraan slechts een kortstondig bestaaan beschoren was? Hoe het ook zij, omstreeks 1900 nam de Germaanse Jugendstil definitief de leiding in de verdere ontwikkeling van de architectuur in Europa over.

home